Wim Platje https://www.willemplatje.nl Verhalen, Columns, Parafernalia Sun, 21 Jul 2019 09:29:50 +0000 nl hourly 1 https://wordpress.org/?v=5.2.3 https://i1.wp.com/www.willemplatje.nl/cms/wp-content/uploads/2015/11/cropped-Wim-Platje.-De-Noot3.jpg?fit=32%2C32&ssl=1 Wim Platje https://www.willemplatje.nl 32 32 117242112 Olivier Sirius https://www.willemplatje.nl/olivier-sirius/ https://www.willemplatje.nl/olivier-sirius/#respond Wed, 19 Jun 2019 18:31:30 +0000 https://www.willemplatje.nl/?p=2075 Olivier Sirius werd  op  donderdagavond 23 augustus 1951 te vondeling gelegd voor de ingang van het gebouw van het Rotterdams Gemeentearchief aan de Mathenesserlaan 315. Voorbijgangers hoorden en vonden het jongetje in een rieten boodschappenmand. Het kind lag daarin op een kussen toegedekt met een dubbelgevouwen deken. In het ziekenhuis bleek, dat de baby slechts […]

Het bericht <center>Olivier Sirius verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Olivier Sirius werd  op  donderdagavond 23 augustus 1951 te vondeling gelegd voor de ingang van het gebouw van het Rotterdams Gemeentearchief aan de Mathenesserlaan 315.

Voorbijgangers hoorden en vonden het jongetje in een rieten boodschappenmand. Het kind lag daarin op een kussen toegedekt met een dubbelgevouwen deken. In het ziekenhuis bleek, dat de baby slechts enige uren eerder ter wereld gekomen moest zijn, waardoor het politie-onderzoek naar de moeder zich in eerste instantie beperkte tot de nabije omgeving. Op de bodem van de boodschappenmand, afkomstig van Aangeenbrugs' Mandenmakerij sinds 1890 te Lisse, trof men een bladzijde van de Nieuwe Rotterdam se Courant van de vorige dag aan. Aan de onderkant van die pagina stond een Bommel-strip, op de andere zijde een wetenschappelijk artikel over de enorme massa van de dwergster Sirius B. De ambtenaar van de burgerlijke stand schreef het kind in en stelde de voorlopige voornaam en geslachtsnaam vast op respectievelijk Olivier en Sirius.

Olivier werd ondergebracht bij een ongewenst kinderloos echtpaar:  Abraham de Moraatz, notaris en zijn vrouw de schrijfster Anna de Moraatz-Bastiaanse. Zij woonden aan de Heemraadssingel, niet ver van de plaats waar Olivier gevonden werd.

Van zijn kleuterjaren is slechts bekend, dat hij bijzonder zuiver kon zingen, maar steevast weigerde zijn stemgeluid te laten horen als hij dat in zijn eentje moest doen. Uit zijn lagere schoolrapporten blijkt, dat hij heel redelijk mee kon komen, maar ook treffen we daarin aantekeningen als "dromer", "niet altijd bij de les" en "snel afgeleid" aan. Vanwege de status van zijn vader, die het oordeel "geschikt voor het M.U.L.O."  van hoofd der school Bangma betwistte, kreeg hij een plaatsje op het Montessori Lyceum Rotterdam aan de Schimmelpenninckstraat. Na moeizame eerste jaren - hij doubleerde in de derde klas en ruziede voortdurend met de mannelijke leraren -  slaagde hij uiteindelijk toch, zij het met de hakken over de sloot. Gedurende die jaren blijkt zijn uitzonderlijk muzikaal talent.

Olivier gaat op aandringen van zijn vader, die in een conservatoriumopleiding geen goede toekomst voor zijn adoptiefzoon ziet, rechten studeren in Leiden, maar geeft er na anderhalf jaar voornamelijk feesten en drinken de brui aan. Opgenomen in de hippie-cultuur van begin jaren '70 besluit hij naar Parijs te gaan, waar hij verblijft bij vrienden in de Rue Cauchois een zijstraat van de Rue Lepic in Montmartre.

Daar probeert hij, te koppig om geld van zijn vader aan te nemen, in zijn levensonderhoud te voorzien met het zingen van Franse chansons, zichzelf begeleidend op de gitaar.

Het is bovenaan de Rue Foyatier, een 222 treden tellende trap die naar het bordes van de Basilique du Sacré-Cœur leidt, dat ik Olivier voor het eerst ontmoette. Ik had de parallel aan de trap gelegen Funiculaire de Montmartre, een kabeltreintje, letterlijk links laten liggen en stond bovenaan nahijgend naar Olivier te luisteren. Ik hoorde aan zijn accent, dat hij geen Fransman was en toen een straatboefje probeerde wat francs uit zijn bedelpet te roven kon ik zijn nationaliteit aan een hartgrondig "godverdomme" vrij gemakkelijk vaststellen.

Ik legde mijn rugzak af en sprak hem aan, complimenteerde hem met zijn stem en zijn spel.  Hij taxeerde me even met zijn opvallend lichtgrijze ogen en na een korte blik op mijn rechterhand drukte hij me de gitaar in de handen en sprak de gedenkwaardige eerste woorden van wat een lange vriendschap zou worden: "Hier ..., doe jij ook is wat voor de kost".

Het bericht <center>Olivier Sirius verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/olivier-sirius/feed/ 0 2075
Remise als ik het wil! https://www.willemplatje.nl/remise-als-ik-het-wil/ https://www.willemplatje.nl/remise-als-ik-het-wil/#respond Sat, 04 Mar 2017 20:47:25 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1316 De bekendste anekdote over de grote schaker Akiba Rubinstein, die in 1882 in het toen Russische en nu Poolse Stawiski geboren werd en in 1961 in België stierf, gaat over zijn partij in de laatste ronde van het prestigieuze toernooi van Karlsbad 1907 tegen Heinrich Wolf. Een mooi verhaal, alleen is de speelse zelfverzekerdheid die […]

Het bericht <center>Remise als ik het wil! verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

De bekendste anekdote over de grote schaker Akiba Rubinstein, die in 1882 in het toen Russische en nu Poolse Stawiski geboren werd en in 1961 in België stierf, gaat over zijn partij in de laatste ronde van het prestigieuze toernooi van Karlsbad 1907 tegen Heinrich Wolf.

Een mooi verhaal, alleen is de speelse zelfverzekerdheid die er uit spreekt moeilijk te rijmen met het algemene beeld van Rubinstein dat in de schaakliteratuur is overgeleverd. Mensenschuw zou hij zijn geweest, zenuwachtig en soms dicht bij een geestelijke ineenstorting.Rubinstein stond bovenaan met 14½ uit 19. De enige die nog gelijk met hem zou kunnen komen was de Hongaar Maroczy, die een punt minder had. Maroczy moest in de laatste ronde met wit tegen Janowsky, Rubinstein met zwart tegen Wolf. Als Maroczy zou winnen (wat inderdaad gebeurde) en Rubinstein zou verliezen, zou de eerste prijs gedeeld moeten worden. De avond voor de laatste ronde (zo wordt het verhaal overgeleverd door de Oostenrijkse meester Hans Kmoch) hielden Wolf en Maroczy krijgsraad. De gezamenlijke openingsanalyses gaven de anders nogal timide Wolf groot zelfvertrouwen en plechtig verklaarde hij tegen zijn vriend Maroczy dat hij de grote Rubinstein de volgende dag zou verslaan.

Helaas, na een nachtje slapen was Wolf weer de oude: op de 22ste zet bood hij Rubinstein remise aan. Rubinstein, die met remise toernooiwinnaar zou zijn, weigerde. Tot ieders verbazing, maar al gauw bleek dat de weigering objectief gerechtvaardigd was geweest. Met een zeer voor de hand liggende zet kon Rubinstein drie zetten later een mat-aanval beginnen die binnen een paar zetten de partij in zijn voordeel zou beslissen. Alle toeschouwers zagen de zet, maar Rubinstein deed een andere. Zou die misschien nog sterker zijn? Nee, een paar zetten later werd de partij remise door herhaling van zetten. Rubinstein had het toernooi gewonnen.

De verbijsterde toeschouwers stormden op hem af en de volgende dialoog is door vele schaakschrijvers opgetekend: “Grootmeester, zag u de zet niet waarmee u kon winnen, hij lag toch voor de hand?“ “Natuurlijk zag ik die zet wel", antwoordde Rubinstein enigszins korzelig, "maar ik had genoeg aan remise.“ “Maar", zo ondervroeg men hem verder, "dat is toch onzin grandmaitre, als u alleen maar remise wilde, waarom sloeg u het voorstel dan af toen Wolf het na tien zetten deed?“ De excentrieke Rubinstein gaf vervolgens het antwoord, dat hem onsterfelijk zou maken in de schaakwereld: “Tegen Wolf maak ik remise als ik het wil, niet als hij het wil!“

Dit is de stelling waarin Rubinstein met 24...Th5 had kunnen winnen: 25. h3 Pg4! 26. fxg4 Txh3+ en zwart geeft snel mat. In de partij werd gespeeld 24...Lb7-a6 25. Pc4-b2 La6xd3 26. Td1xd3 Td5xd3 27. Pb2xd3 Dc7-c4 28. Pd3-e5 Dc4-c7 29. Pe5-d3 Dc7-c4 30. Pd3-e5 Dc4-c7 31. Pe5-d3 Dc7-c4 Remise.

Had Rubinstein de zet 24...Th5 gezien? Dat moet haast wel, een zet die mat in één dreigt is moeilijk over het hoofd te zien en de verwikkelingen daarna zijn ook niet bepaald ondoorgrondelijk. Behalve met het elegante 25...Pg4 kan zwart ook winnen met het brute 25...Lxf3.

Waarom forceerde Rubinstein dan remise door zetherhaling? Het antwoord moet helaas zijn dat Rubinstein helemaal geen remise 'forceerde' met zijn afwikkeling. Er was voor wit geen enkele reden om het merkwaardige 29. Pd3 te spelen, hij had net zo goed de partij kunnen voortzetten met het gewone 29. c4. De remise werd overeengekomen, niet door Rubinstein geforceerd. Het partijfragment suggereert wel heel sterk een banale verklaring voor de vreemde remise. De remise moet van te voren zijn afgesproken, anders is noch 24...La6? noch 29. Pd3? te verklaren. Toen Wolf na tien zetten voorstelde om het bijltje er bij neer te leggen, moet Rubinstein iets gezegd hebben als: “Nog even doorspelen, anders maakt het zo'n slechte indruk op het publiek.“ Vervolgens zag hij de winstzet, maar hij mocht hem niet spelen en Wolf was natuurlijk al lang blij dat hij met 29. Pd3?! een enigszins plausibele weg naar de afgesproken remise kon vinden.

Het verhaal dat ons overgeleverd is, is veel mooier. Het spijt me echt dat ik het naar de vuilnisbak van de schaakgeschiedenis denk te moeten verwijzen. Het is maar goed dat de meeste schaakschrijvers het niet als hun belangrijkste taak zien om nauwkeurig te controleren of de verhalen die ze navertellen wel helemaal waar zijn. We zouden het mooiste deel van de schaakliteratuur kwijtraken.

Door: Hans Ree - 29 oktober 1994
Bewerking: Willem D. Platje 2017 ©

Akiba Rubinstein

Het bericht <center>Remise als ik het wil! verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/remise-als-ik-het-wil/feed/ 0 1316
De Rosenthalpartij https://www.willemplatje.nl/de-rosenthalpartij/ https://www.willemplatje.nl/de-rosenthalpartij/#respond Thu, 22 Dec 2016 21:42:54 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1293 Wie uit hetgeen beschreven is in de anekdote "Dreigsigaar" de indruk heeft gekregen, dat het hier om een op zichzelf staand incident ging tijdens het toernooi te New York uit 1927 moet die impressie wellicht toch enigszins bijstellen. Grootmeesters zijn net mensen en voorafgaand aan het toernooi waren het de nukken van sommige "grand-maîtres", die […]

Het bericht <center>De Rosenthalpartij verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Wie uit hetgeen beschreven is in de anekdote "Dreigsigaar" de indruk heeft gekregen, dat het hier om een op zichzelf staand incident ging tijdens het toernooi te New York uit 1927 moet die impressie wellicht toch enigszins bijstellen.

Grootmeesters zijn net mensen en voorafgaand aan het toernooi waren het de nukken van sommige "grand-maîtres", die het organisatiecomité nogal wat hoofdbrekens bezorgden.

Na het succes van het toernooi te New York in 1924 dat zij organiseerden besloten Norbert Lederer en zijn 'associates' een match-toernooi te organiseren met zes of zeven grootmeesters, waarbij iedere speler de andere deelnemers vier keer zou ontmoeten. Geza Maroczy werd gevraagd als toernooidirecteur op te treden en uitnodigingen werden verzonden aan Jose Raul Capablanca, Emanuel Lasker, Frank James Marshall, Alexander Aljechin, Efim Bogoljubov, Aäron Nimzowitsch en Milan Vidmar. Capablanca was de enige speler, die een startvergoeding zou ontvangen.

Echter, vanwege een incident met Capablanca in een van zijn partijen in het evenement van 1924 was Lasker betrokken in een bitter en publiekelijk uitgevochten dispuut met Capablanca en enkele leden van het organiserende comité. Hij reageerde niet op de uitnodiging en zijn plaats werd aangeboden aan Rudolf Spielmann, die de uitnodiging onmiddellijk accepteerde.

Bogoljubov schreef het comité een brief, waarin hij een startgeld van $1500 eiste. Bovendien wenste hij, dat het toernooi zou worden vervangen door een wereldkampioenschapsmatch tussen hemzelf en Capablanca. Zijn voorwaarden waren gesteld in de vorm van een ultimatum, dat door het organiserend comité vanzelfsprekend niet kon worden geaccepteerd. Het comité besloot vervolgens, dat de plaats van Bogoljubov niet aan iemand anders ter beschikking zou worden gesteld, waarmee het beoogd aantal spelers derhalve met één gereduceerd werd.

In een aantal verklaringen werd gesteld, dat het toernooi gezien zou moeten worden als een kwalificatietoernooi, waaruit de uitdager van de wereldkampioen zou voortkomen. Toen Aljechin hiervan hoorde , was hij furieus, omdat hij en Capablanca reeds de voorwaarden hadden vastgelegd voor hun aanstaande wereldkampioenschapsmatch voor september van dat jaar. Aljechin, zo stelde hij, zou weigeren aan het toernooi deel te nemen tenzij men hem de verzekering zou geven, dat zijn deelname aan het toernooi de voorwaarden die eerder waren overeengekomen niet op losse schroeven zou zetten. Het comité telegrafeerde die verzekering netjes en met instemming van Capablanca naar Aljechin, die vervolgens zijn acceptatie van de uitnodiging bevestigde.

Het is in deze broeierige en van zinderende spanning tintelende sfeer, dat het toernooi zich dag na dag voltrok. Tijdens het toernooi ontving Milan Vidmar een uitnodiging voor een gezellig avondje. Blij even verlost te zijn van de enorme pressie, die het spelen van een zo zwaar toernooi op hem legde nam Vidmar die uitnodiging graag aan. Op de soirée werd hij voorgesteld aan de in die dagen beroemde Poolse pianist Moritz Rosenthal. Rosenthal was een briljante leerling van Franz Liszt en vriend en collega van enige van de grootste musici van zijn tijd, waaronder Johannes Brahms, Johann Strauss, Anton Rubinstein, Hans von Bülow, Camille Saint-Saëns, Jules Massenet en Isaac Albéniz.

De Poolse pianist speelde voor de Sloveen Vidmar de "Schatzwalzer" uit "Der Zigeunerbaron", een operette van Johan Strauβ jr. Vidmar was na afloop diep geroerd en bedankte Rosenthal omstandig voor zijn prachtige pianospel. Rosenthal, die zelf ook schaakte en er zich zeer voor interesseerde keek hem ernstig aan en sprak: "U speelt morgen tegen Nimzowitsch. Ik zal erbij zijn. Morgen speelt u voor mij!".

De volgende dag werd de historische "Rosenthal-partij" gespeeld. Er wordt beweerd, dat het incident met de sigaar tijdens deze partij plaats vond. In ieder geval: Vidmar won van Nimzowitsch en stevende na afloop trots op Rosenthal af, die hem bij de ingang van de speelzaal opwachtte. Vidmar maakte een kleine buiging en zei tegen Rosenthal: "Zijt gij tevreden meester?". Rosenthal antwoordde op zijn beurt met een zweem van een glimlach vanonder zijn imposante snor: "O, stellig goede vriend... nu staan wij quitte".

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Milan Vidmar

Het bericht <center>De Rosenthalpartij verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/de-rosenthalpartij/feed/ 0 1293
Dreigsigaar https://www.willemplatje.nl/dreigsigaar/ https://www.willemplatje.nl/dreigsigaar/#respond Thu, 22 Dec 2016 21:04:25 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1285 Op mijn zoektocht naar schaakanekdotes stuitte ik, bijna vanzelfsprekend, op een echte klassieker, die ik evenwel niet wil onthouden aan diegenen, die zich doorgaans slechts verdiepen in het schaken zelf en niet in alle verhalen, die er rond zweven. Ik kende het verhaal al, maar na enig internetspeurwerk geraakte ik toch enigszins in verwarring. Er […]

Het bericht <center> Dreigsigaar verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Op mijn zoektocht naar schaakanekdotes stuitte ik, bijna vanzelfsprekend, op een echte klassieker, die ik evenwel niet wil onthouden aan diegenen, die zich doorgaans slechts verdiepen in het schaken zelf en niet in alle verhalen, die er rond zweven.

Ik kende het verhaal al, maar na enig internetspeurwerk geraakte ik toch enigszins in verwarring. Er bestaan kennelijk verscheidene versies van deze anekdote, met verschillende hoofdrolspelers en een steeds iets ander slot.

Tijd derhalve om mijn goede vriend Tom van Bokhoven eens te consulteren. Tom bezit een zeer uitgebreide collectie historische schaakboeken en daar zijn de nodige exemplaren vol anekdotes bij. Ik vroeg hem derhalve of het nu Aljechin en Capablanca waren, die de acteurs in het verhaal over de sigaar zijn, of wellicht toch Vidmar en Nimzowitsch.

Welnu, zoals het een waar schaakcollectioneur betaamt heeft hij zijn bibliotheek aan een nauwgezet onderzoek onderworpen en stuurde mij de volgende conclusie: “Willem, in “The Bright Side of Chess” van Irving Chernev (Uitgegeven bij McKay in 1948) vond ik deze versie van die beroemde schaakanekdote. Er zijn inderdaad verschillende versies, maar dit is degene, die ik het aannemelijkst acht. Bijgaand stuur ik je een tweetal afdrukjes uit dat boek”.

Inmiddels verdronk ik bijna in de vele varianten van het verhaal. Hier en daar wordt zelfs de “Rosenthalpartij” tussen Vidmar en Nimzowitsch met deze anekdote verweven. Daaraan wijd ik een apart stukje in deze serie, maar hier volgt nu mijn versie van wat ik in een vrijmoedige schrijfbui de “Dreigsigaar” heb gedoopt:

Er zijn zo veel varianten van deze anekdote, dat het bijna apocriefe geschriften dreigen te worden, (De kerkvaders besloten zo’n viertal eeuwen na de dood van Christus, dat die apocriefe vertellingen niet in de Bijbel mochten worden opgenomen en zo zijn het evangelie van Maria Magdalena en zelfs dat van Judas uit het Boek gebleven…) maar in deze vertelling is het 1927 AD. Dit verhaal hoort zeker een prominente plek in de Schaakbijbel in te nemen. “En het geschiedde in die dagen, dat New York de plaats van handeling was …” Het befaamde internationale toernooi, waarin uitgemaakt zou worden, wie de uitdager zou zijn, die tegen Raoul Capablanca om de wereldtitel zou mogen gaan strijden.

Die dag waren de acteurs de grootmeesters Nimzowitsch, Aäron Nimzowitsch om precies te zijn, en Vidmar, Milan Vidmar om nog preciezer te zijn, elkaars tegenstander. Direkt nadat zij hun partij volgens het speelschema voor die dag aanvingen, stak Vidmar genoeglijk een sigaar op, nam een paar trekjes, deed zijn zet en leunde genietend achterover.

Nimzowitsch echter ergerde zich aan de rook, die zich langzaam over het bord in zijn richting verplaatste, maar volgens de toernooiregels mocht hij zich niet direkt tot Vidmar wenden om hem te vragen te stoppen met het roken van zijn sigaar. Elk verzoek dienaangaande mocht slechts via het toernooicomité worden gedaan en dus deed Nimzowitsch zijn zet, drukte geïrriteerd zijn klok in en ging zich, zichtbaar geagiteerd, bij de organisatie beklagen. Het comité oordeelde, dat het een alleszins redelijk verzoek was en dus wendde één van haar leden zich tot Vidmar en fluisterde iets in diens oor. Vidmar bleef kalm, maakte in het geheel geen ophef en doofde op zijn dooie gemak secuur zijn sigaar. De partij vorderde, maar op een gegeven moment nam Milan zijn sigaar weer tussen de vingers, diepte een doosje lucifers uit zijn zak op, nam er één van de houtjes uit en legde dat tezamen met het doosje naast de asbak…

Onmiddellijk, als door een wesp gestoken beende Nimzowitsch met een rood hoofd naar het toernooicomité om tegen deze gang van zaken te protesteren. “Maar meneer Nimzowitsch”, zei één van hen kijkend in de richting van Vidmar, “Uw tegenstander rookt toch niet?” “Neee! Dat weet ik!” riep Nimzowitsch bijna paars van woede uit, “maar hij dreigt ermee!!!”

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Milan Vidmar

Het bericht <center> Dreigsigaar verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/dreigsigaar/feed/ 0 1285
Arrêt sanitaire https://www.willemplatje.nl/arret-sanitaire/ https://www.willemplatje.nl/arret-sanitaire/#respond Wed, 21 Dec 2016 20:07:16 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1269 In 1938 werd in Groningen, de toenmalige woonplaats van de jeugdige Jan Haijer, de vierde ronde van het befaamde AVRO-toernooi gehouden. Op 12 november, in de grote concertzaal van De Harmonie, zat hij als scholier tussen zijn teken- en wiskundeleraar op de voorste rij. Om de vierde ronde van het evenement bij te wonen had […]

Het bericht <center>Arrêt sanitaire verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

In 1938 werd in Groningen, de toenmalige woonplaats van de jeugdige Jan Haijer, de vierde ronde van het befaamde AVRO-toernooi gehouden. Op 12 november, in de grote concertzaal van De Harmonie, zat hij als scholier tussen zijn teken- en wiskundeleraar op de voorste rij.

Om de vierde ronde van het evenement bij te wonen had de wiskundeleraar, een verwoed schaakliefhebber, een proefwerk naar de volgende dag verschoven en kreeg Jan, net een paar jaar lid van Staunton, van thuis permissie om de hele avond toe te kijken.

Op het grootmeesterlijk podium speelden Keres en Reshevsky tegen elkaar, Euwe speelde die avond tegen Fine, Flohr was de opponent van Aljechin en Botwinnik bestreed met zwart José Raúl Capablanca y Graupera. De jeugdige Jan Haijer zat zo gunstig dat hij zijn idool Capablanca recht in de ogen kon kijken.

De Cubaanse ex-wereldkampioen zat op het halvemaanvormige podium met zijn rug naar Aljechin, die bepaald geen vriend van hem was. En dat is nog vrij vriendelijk uitgedrukt. Beide grootmeesters zaten gescheiden door een rode loper, een smal pad naar de koffieruimte en de toiletten, diep in gedachten verzonken. Een mens blijft een mens en schaakpartijen duren doorgaans lang. Op een gegeven moment stonden beide grootmeesters toevallig tegelijk op, draaiden zich naar elkaar toe, deden nietsvermoedend een pas, richtten zich in hun volle lengte op, rechtten hun rug en keken elkaar vervolgens ongewild in de ogen. Als door een wesp gestoken wendden beide spelers zich van elkaar af en namen hun plaats achter het bord weer in. Hoewel er duidelijk sprake was van hoge nood, wilde noch de één, noch de ander voor gentleman spelen door voorrang te verlenen.

Een paar minuten later liep Aljechin, die zag dat Capablanca bezig was een zet te noteren, dan toch eindelijk weg. De speelzaal uit? Nee, vlak voor de deur naar de ruimte, waar zich de toiletten bevonden stonden enkele grote bakken met palmen en met de rug naar spelers en publiek posteerde Aljechin zich daar wijdbeens. Jan Haijer had meer oog voor de reactie van Capablanca, die, na even het tafereel te hebben bekeken, de zaal in keek met een blik, die absolute en opperste minachting verried.

Een kwartiertje later stond ook de Cubaanse grootmeester op. Op dat moment had Jan Haijer gewacht. Hij liep de zaal uit en kwam via een zijdeur bij de gang, die naar de toiletten leidde. Een paar tellen later stond hij oog in oog met zijn grote voorbeeld. José Raoul Capablanca y Graupera. De jonge Groninger toonde zijn notitieboekje en gaf Capablanca zenuwachtig een potlood. Capablanca, de rust zelve, schudde Jan Haijer vriendelijk de hand en zei in het Engels dat hij tot zijn spijt vandaag niet zou kunnen winnen (de partij tegen Botwinnik eindigde in remise – red.), zette zijn handtekening in het notitieboekje en vroeg: ,,Schaak je graag?" ,,Natuurlijk, echt heel erg… eh, eh… erg graag meneer", antwoordde het Staunton-talent. ,,Well... Try to be a gentleman too", vervolgde de grootmeester, gaf Jan een aai over zijn bol en beende vervolgens op zijn gemak weer terug naar het podium.

Grootmeester, gentleman, schaker, pedagoog en voorbeeld: Raúl Capablanca….

Voor de geïnteresseerden volgen hieronder de uitslagen van dit dubbelrondig toernooi:

Uit: Kinderen van Caïssa (Schaakvereniging te Hoorn) door Co Buysman.

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Alexander Aljechin

Het bericht <center>Arrêt sanitaire verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/arret-sanitaire/feed/ 0 1269
Mat in 12 https://www.willemplatje.nl/mat-in-12/ https://www.willemplatje.nl/mat-in-12/#respond Tue, 20 Dec 2016 15:22:53 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1263 Van Raúl Capablanca (1888-1942), wereldkampioen schaken van 1921 tot 1927, is bekend, dat hij ooit onder het genot van een mooie Havanna en een goed glas wijn het volgende verhaal aan een goede vriend vertelde: “Een aantal jaren geleden was ik in Duitsland voor een belangrijk schaaktoernooi toen ik in de lobby van het hotel […]

Het bericht <center>Mat in 12 verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Van Raúl Capablanca (1888-1942), wereldkampioen schaken van 1921 tot 1927, is bekend, dat hij ooit onder het genot van een mooie Havanna en een goed glas wijn het volgende verhaal aan een goede vriend vertelde:

“Een aantal jaren geleden was ik in Duitsland voor een belangrijk schaaktoernooi toen ik in de lobby van het hotel zachtjes op mijn schouder werd getikt. Ik draaide me om en deinsde onwillekeurig terug. Het was een oude man. Eén van het soort, dat nu niet tot de meest aantrekkelijke bejaarde mannetjes behoort. Een gezicht vol vouwen, een vaalgrijze gelaatskleur, kleine rattenoogjes die me priemend aankeken, een gerafelde flambard op het hoofd en enigszins gebocheld. Ik geneerde me een beetje voor mijn primaire reactie en omdat ik dacht dat hij een handtekening van me wilde tastte ik alvast naar mijn pen. Het mannetje echter legde met een verrassend snelle beweging zijn hand op mijn pols en zei raspend: “Ik heb het schaken opgelost!”

Enigszins geschrokken deed ik een stap terug. Je kunt immers nooit weten of zo’n gek niet ook gevaarlijk is. Het mannetje grinnikte wat bruine tanden bloot en sprak op fluisterende toon: “Ik ben niet gek. Wees niet bevreesd. Ik wed met u om vijftig mark dat ik het u bewijzen kan.” Schichtig keek hij om zich heen om vervolgens hees te vervolgen: “Op mijn hotelkamer, ik zal het u bewijzen. Ja, u hoeft zelfs niet eens te wedden als dat u tegenstaat. Ik schenk u nu vijftig mark als u mij de gelegenheid geeft om het bewijs te leveren!” Met een snel gebaar toverde hij vijftig Reichsmark uit zijn zak, greep mijn onderarm en voordat ik ook maar kon reageren drukte hij me het biljet in de hand. “Eerste verdieping, het bord staat klaar.” Beduusd volgde ik hem de brede trap op naar de eerste verdieping. Hij hinkte een beetje. Een licht gevoel van medelijden drong zich aan mij op. Ik schudde het af. “Vijftig mark is immers vijftig mark en hij wil het zelf”, bedacht ik onderweg en stapte met hem zijn hotelkamer binnen…

Op een tafel voor het raam stond inderdaad een schaakbord met alle stukken reeds in de beginstand. Niet het minste schaakbord. Fijn ingelegd met exquise houtsoorten en met prachtige eiken- en ebbenhouten stukken. Een lust voor het oog. Inmiddels lichtelijk geamuseerd nam ik plaats achter de zwarte stukken. Het mannetje hinkte krakend naar de andere stoel. Steunend hees hij zich erop. ‘Ik heb het helemaal opgelost. Waarlijk! Wit geeft mat in 12 zetten ongeacht wat voor tegenspel van zwart dan ook.” Hij speelde zijn eerste zet. Ik deed nonchalant de mijne en wachtte toch wel een beetje gespannen op wat komen ging. Tot mijn verbazing stelde ik vast dat de witte stukken een wel heel vreemde samenwerking aangingen. Wat lacherig speelde ik verder, om er even later tot mijn stomme verbazing achter te komen, dat ik onverwacht mat ging op zet 12!

“Excuseer” zei ik, terwijl ik niet op mijn gemak de triomfantelijke oogjes trachtte te vermijden. “Ik was er kennelijk met de gedachten even niet helemaal bij, ik heb een nogal uitputtende partij gespeeld vandaag, ziet u. Staat u mij toe nu wel bij de les te zijn?” Hij knikte zwijgend, maar zijn flauwtjes opgetrokken wenkbrauwen getuigden van nauwelijks verholen plezier. Lichtelijk geërgerd speelde ik opnieuw. Deze keer wel één van mijn vertrouwde openingen, waarbij het absoluut onmogelijk is om in een dergelijke stelling terecht te komen. Wit speelde een aantal zeer ongebruikelijke zetten, die ik als absoluut inferieur taxeerde, maar tot mijn afgrijzen vond ik mijn koning als uit het niets omsingeld en stond ik mat op zet 12!

Het mannetje keek me aan. “Overtuigd?”, raspte hij. “Krijg vijftig mark van u terug.” Verbouwereerd keek ik hem aan. “Dit is kennelijk mijn dag niet”, stamelde ik. “Wacht u alstublieft even? Ik ben direct weer bij u terug.” Ik struikelde naar de deur en bijna in paniek rende ik naar beneden om hulp te halen. Ik trof tot mijn fortuin voormalig wereldkampioen Emanuel Lasker, die in de lobby met Alexander Aljechin, regerend wereldkampioen, in geanimeerd gesprek was. Over mijn woorden struikelend deed ik met overslaande stem mijn verhaal. Ze moeten gedacht hebben, dat ik op slag idioot geworden was, maar bezorgd en natuurlijk uitermate sceptisch stemden ze toe om mee te gaan, al was het maar om mij in de gaten te kunnen houden. Natuurlijk zag ik wel dat ze veelbetekenende blikken uitwisselden, maar dat was mij op dat moment om het even. Lasker speelde lacherig wat zetten, maar afschuw stond op zijn gelaat te lezen toen hij in 12 zetten als uit het niets mat stond. Wat narrig nam hij de tweede keer geen risico’s en speelde, op zijn hoede, zo voorzichtig mogelijk. Na een aantal zinloos lijkende zetten van wit echter, zat ook hij voor de tweede keer in een matnet met als resultaat mat op zet 12. Aljechin probeerde het eveneens tot twee maal toe maar ook hij wist zet 13 niet te bereiken.

Het was echt verschrikkelijk! Daar zaten we dan en keken elkaar in totale verbijstering aan. De beste spelers van de wereld. Mannen die hun leven volkomen hadden gewijd aan het spel der spelen! Alles, alles, alles was voorbij! Toernooien, matches… Alles! Simultaans, publicaties, over openingen, midden- en eindspel. Zinloos geworden! Het schaken was opgelost. Ongeacht wat zwart ook speelt is het mat in 12!.”

Op dat moment interrumpeert Capablanca’s vriend hem en zegt: ”Wacht eens even, ik heb hierover nog nooit iets gehoord! Ik verlies nooit in 12 zetten! Wat is er dan gebeurd?” Capablanca keek hem even aan en antwoordde met een vergenoegde, brede glimlach op het gelaat: “Wat dacht je ... we hebben die man natuurlijk vermoord.”

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Emanuel Lasker
Alexander Aljechin

Het bericht <center>Mat in 12 verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/mat-in-12/feed/ 0 1263
Kar-Trek https://www.willemplatje.nl/kar-trek/ https://www.willemplatje.nl/kar-trek/#respond Thu, 08 Dec 2016 14:01:53 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1243 Om de een of andere reden vind ik het altijd vervelend als ik mensen ophoud of in de weg sta. Het zal mijn opvoeding wel zijn die ervoor heeft gezorgd dat ik me er altijd rekenschap van geef of ik misschien iemand hinder. Dat mocht ik vroeger niet van het ouderlijk gezag en tegenwoordig is […]

Het bericht <center>Kar-Trek verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Om de een of andere reden vind ik het altijd vervelend als ik mensen ophoud of in de weg sta. Het zal mijn opvoeding wel zijn die ervoor heeft gezorgd dat ik me er altijd rekenschap van geef of ik misschien iemand hinder.

Dat mocht ik vroeger niet van het ouderlijk gezag en tegenwoordig is het een innerlijk gebod. Eigenlijk is het vanzelfsprekend een ander niet nodeloos te hinderen en dat doe ik als het ook maar enigszins mogelijk is dan ook niet. Van mijn medemens verwacht ik eigenlijk hetzelfde en dat is nu net wat ik eigenlijk niet moet doen. Ik neem aan, dat niemand het expres doet, maar toch ergert het me mateloos als ik gehinderd wordt door mensen, die in de weg staan en niet uit zichzelf even ruimte maken. Zelfs als ze niet in de gaten hebben dat ze me hinderen voel ik tot mijn schaamte van die kleine stroomstootjes in mijn buik. Van die kleine opstijgende irritatieprikkels, die zich rond mijn middenrif verzamelen om daar tot golfjes ongeduld uit te groeien. Ik zeg met nadruk tot mijn schaamte, want waarom kan ik, terwijl ik toch doorgaans de personificatie van het engelengeduld zelve ben, nu niet gewoon even wachten?

Wanneer ik de momenten dat het gebeurt eens rustig op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie, dat het me het vaakst overkomt in de supermarkt. Boodschappen doe ik altijd op zo efficiënt mogelijke wijze. Simpelweg omdat het niet tot mijn favoriete bezigheden behoort. Zeg maar gerust, dat ik er een behoorlijke hekel aan heb, hoewel ik daar intern doorgaans een verwijzing naar het woord tering wel op zijn plaats acht. Ik probeer me dus zo kort mogelijk op te houden in de gangpaden tussen de schappen en volg altijd de kortste route langs het boodschappenlijstje in mijn hoofd.

Nu kan men in de supermarkt twee soorten Medemens onderscheiden. Zo zijn er de duwers, degenen die het boodschappenwagentje voor zich uit duwen – die zijn gelukkig het talrijkst – en er zijn de trekkers. Die laatsten trekken het karretje achter zich aan. En het zijn nu juist de trekkers, die de meeste overlast veroorzaken. Zij kunnen namelijk nooit goed zien hoe het met de koers van het boodschappenkarretje achter zich gesteld is. Niet alleen staat het karretje van de trekker – het zijn overigens meestal treksters – dan dwars in het toch al niet ruim bemeten gangpad en staat Medemens in diep gepeins verzonken over het dilemma: wokkels of geen wokkels en indien wel wokkels welke dan, maar soms wordt ter oplossing van de besluiteloosheid het gecompliceerde vraagstuk ook nog eens via het mobieltje voorgelegd aan het thuisfront, waar blijkens de voortgang van het gesprek nog een Naaste in opperste verwarring tekortschiet om opheldering te verschaffen in een zo netelige kwestie.

Ogenschijnlijk kalm wacht ik dan het einde van dubio en tweestrijd af tot Medemens uiteindelijk zelf in de gaten heeft, dat er iemand door wil en soms, als dat erg lang duurt, maak ik een zacht schrapend keelgeluidje, waarna meestal de weg onder een gemompeld “Sorry” wordt vrijgemaakt en ik met een vriendelijk knikje en, in geval van vrouwelijk Medemens met mijn liefste glimlach, mijn voorgenomen traject verder afleg om er na de bocht naar de volgende productengalerij achter te komen dat daar maar liefst twee stuks vrouwelijk Medemens, behorend tot het gilde der trekkers, de doorgang barricaderen tijdens het voeren van een geanimeerd gesprek over de voordelen van het gebruik van luierbroekjes van een gerenommeerde producent boven die van het goedkopere huismerk.

Inwendig loopt mijn temperatuur als gevolg van het toegenomen aantal ampères op en vouw ik in gedachten beide dames gewelddadig op in hun winkelwagentjes, maar ik houd me in. Niet alleen, omdat het me een kansloos vooruitzicht lijkt om voor de rechter geloofwaardig uit te leggen, dat in dit specifieke geval het gebruik van enig gepast geweld alleszins te verdedigen is, maar ook omdat ik weet dat het ergste nog moet komen.

Opkomende zenuwtrekjes onderdrukkend arriveer ik dan bij de kassa en of het nu toeval is of mijn lotsbestemming, ik schijn het altijd zo te moeten treffen, dat er een trekker zijn volle boodschappenwagentje op de lopende band staat te legen. Nog is er niets aan de hand, hoewel ik aan de volkomen ongeordende manier waarop de aankopen op de band worden gelegd al kan zien, dat het weer een lange wacht gaat worden. Maar als dan eindelijk het balkje, dat de boodschappen van Medemens moet scheiden van de mijne wordt neergelegd, staat daar het karretje naast de band en staat Medemens ervoor bij de pin-automaat. Ik kan er dus niet bij om mijn goederen op de band te leggen! Dat verdomde wagentje van Medemens staat in de weg. Ik begin met een hoofd vol duisterwoorden toch maar mijn boodschappen zo goed en zo kwaad als het gaat op de band te leggen, terwijl ondertussen aan het verzamelpunt aan het eind van het kassa Medemens staat te wachten tot de spullen, die onderin de tas moeten worden gestald door de caissière over de piepplaat worden gehaald. Want natuurlijk komen juist die spullen als laatste. Geluidloos schreeuw ik: “Leg toch verdomme eerst de onbreekbare, de stevige verpakkingen, die onderin je tas moeten op de band, dan hoef je niet te wachten totdat je de eieren, je chips en die saucijzenbroodjes, die je nu eerst in die vollopende chaos terzijde moet schuiven, bovenop in je tas kunt leggen”!

Als ze zo staan te tobben-zonder-het-zelf-te-weten geef ik ondertussen met mijn kar gemene, zachte duwtjes tegen de kar voor me, zodat die, als er moet worden afgerekend, medemens in de weg staat en de mijne eerst weer wat naar achteren moet om plaats te maken. Maar ook dan dringt niet tot ze door, dat het hun handelswijze is, die oorzaak is van de ontstane chaos. Achter de kassa is immers een zee van ruimte, waar een beetje duwer zijn kar logischerwijze plaatst. Ruim voldoende om een ongestoorde gestage stroom van goederen af te handelen.

Buiten en tot rust gekomen bedenk ik dan, dat het maar goed is dat niemand iets heeft gemerkt van het toneelstuk, dat zich in mijn hoofd heeft afgespeeld en tevreden loop ik naar de auto, terwijl ik onderweg van een paar meter afstand nonchalant de verfrommelde kassabon in een prullenbak mik.

Willem Platje © 2016

Het bericht <center>Kar-Trek verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/kar-trek/feed/ 0 1243
Jules https://www.willemplatje.nl/jules/ https://www.willemplatje.nl/jules/#respond Mon, 05 Dec 2016 12:09:01 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1121 "Wantrouwen is een zware wapenrusting die meer belemmert dan beschermt door haar gewicht (Lord Byron)" Misschien is dit wel één van de vreemdste schaakverhalen, die ik ooit heb opgeschreven. De plaats van handeling is Avignon. Hoofdstation. Het is 1974, eind juli, laat in de middag en nog immer bloedig heet. Jan en ik waren aan […]

Het bericht <center>Jules verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

"Wantrouwen is een zware wapenrusting die meer
belemmert dan beschermt door haar gewicht (Lord Byron)"

Misschien is dit wel één van de vreemdste schaakverhalen, die ik ooit heb opgeschreven. De plaats van handeling is Avignon. Hoofdstation. Het is 1974, eind juli, laat in de middag en nog immer bloedig heet.

Jan en ik waren aan het eind van onze fietsvakantie gekomen. Via Nice, Monaco, Cannes, Antibes en Hyères waren we door Orange en Aix-en-Provence naar de Ardèche gefietst. Elk fietsje had een speciaal voor ons geconstrueerd rekje achterop met twee kleine fietstasjes. In het ene was net voldoende ruimte voor een pakje waspoeder om elke dag de wielerkleding te wassen en in het andere zat wat gewone zomer- en strandkleding. Op diezelfde vederlichte vélos reden we in Nederland wielerkoersen. Het lot had ons samengebracht. Beider verkering was uit.

De fietsen waren vanuit Montélimar naar Brussel vooruit gestuurd. Daar zouden we ze weer oppikken om de laatste twee dagen van daaruit naar mijn ouderlijk huis in Dordrecht te trappen. De reis vanuit Vallon-Pont-d'Arc naar Avignon had ons helaas onze allerlaatste francs gekost. De bus bleek veel duurder dan verwacht en rammelend van de honger zaten we al uren op de trein te wachten, die pas om 22.00 uur naar Parijs zou vertrekken. Dat zou een nacht en een halve dag schommelen in een coupé betekenen om dan na Brussel op een lege maag Vlaande­ren te doorkruisen in de hoop voor 's middags vier uur mijn bankpasje te kunnen gebruiken in Zeeuws-Vlaanderen. Jan had die middag gelukkig een stokbrood en wat confiture achterover kunnen drukken, maar wielrenners eten als wolven; zeker na vier weken ploeteren in de hitte, tegen de mistral en op eindeloos schijnende hellingen. Wij zaten op een bankje op het perron in de schaduw onze ziel in lijdzaamheid te bezitten.

Hij kwam het perron op, zag even rond en en slofte toen naar de twee vrije plekken naast me. Op een meter van mij ging hij zitten, plaatste een plastic tas tussen ons in, ontkurkte een fles rode wijn die uit de zak van een smoezelig colbert stak, nam een forse slok, boerde vervolgens genoeglijk en zakte tevreden onderuit. Uit zijn uiterlijk, kennelijk dagenlang ongeschoren, de vlekken op zijn jasje en broek en de enigszins loshangende zool van zijn ene schoen leidde ik af, dat hij niet tot de meest bevoordeelden in onze samenleving behoorde.

Jan staakte plots ons gesprek, draaide zich half van me weg en leek hevig geinteresseerd in een trein op een ander spoor, die er al zeker een uur stond. Ik voelde het onbehagen in mijn binnenste knijpen.

'Nu is er dan dat vreselijk moment zoals je altijd al voorzien hebt! Die beproeving, verleiding bijna, om zo iemand gedag te zeggen zoals je met iedereen doet. En die weerzin bij het idee dat hij het woord tot je zal richten, dat hij dichterbij schuift en dat je zijn geur, die in je verbeelding onverdraaglijk is, niet zult kunnen verdragen!'

Ik voelde me beschaamd en in gedachten verzonken merkte ik eerst het lichte tikje op mijn schouder niet. Ik schrok. Hij keek me aan met zijn opvallend lichtgrijze ogen. "Rokado?", zei hij, wijzend naar de sponsornaam op mijn wielershirt. Na wat gestamelde woorden van mijn kant concludeerde hij brommend "Hollandais, n'est ce pas?" en begon een gesprek over onze lage landen, waaraan hij goede herinneringen had. Nu kon ik mij destijds, beter dan nu vrees ik, redelijk in het Frans uitdrukken. Naar mijn idee heb ik het altijd slecht getroffen met leraren Frans, die - achteraf gelukkig maar - slavendrijvers bleken te zijn. De conversatie was eerst simpel weliswaar, maar al gauw werd het een geanimeerd gesprek. Geheel in tegenstelling tot de eerste indruk die ik van hem had merkte ik al snel, dat hij van be­tere komaf was dan zijn voorkomen deed vermoeden. Hij sprak verzorgd, met kennis van zaken, soms bevlogen over allerlei onderwerpen. Beeldende kunst, literatuur, wetenschap. Een erudiet man, ontwikkeld, belezen en zeker geen dronken zwerver.

Jan pakte, als om mij te verlossen, uit zijn fietstasje een schaakspelletje. We gebruikten dat om de tijd te doden tijdens de lange rit met de trein naar het zuiden of soms uit verveling 's avonds in een goedkoop hotelletje. Van die kleine houtjes met een pinnetje aan de onderkant, die je in de vierenzestig gaatjes van het bord kunt steken. Jan verloor altijd. Kleiner en lichter dan ik, zette hij me dat op de hellingen betaald, waar ik hem dagelijks binnensmonds verwenste als hij met soepele tred van me weg danste.

Jules, want zo had hij zich inmiddels voorgesteld, keek er onmiddellijk met glinsterende ogen naar. "Schaken jullie?" "Incroyable!" "Wie is de beste?" "Ik wil spelen met de beste van jullie." "Honderd francs voor de winnaar!" Ik moest hem teleurstellen, want ik had geen sou, geen stuiver meer. Toch wilde hij spelen. Hij toverde een halve baguette uit zijn binnenzak en beloofde dat ik die plus een slok wijn zou krijgen als ik zou winnen. Ik onderhandelde er een tweede slok uit en hij mocht bij winst één van mijn twee pas gewassen T-shirts tot de zijne rekenen. Jules nam een zwarte en een witte pion, elk in één van zijn handen, verwisselde die waarschijnlijk meermaals achter zijn rug en stak beide handen naar voren. Ik koos de rechter. Het werd wit en na wat gepriegel met de stukken stond de beginstelling op het bord. Ik deed mijn eerste. Op 1.e4 kreeg ik 1…. e6 voorgeschoteld. "Francais" grijnsde hij, een rijtje verkleurde tanden ontblotend. Inderdaad werd het de Franse opening. Hij kende dus ook wat theorie.

Wat een ongewoon beeld: Een jonge man, half nog in wielerkledij, schakend tegen een clochard op een bankje in het hoofdstation van Avignon. Een klein schaakbordje tussen hen in. De partij ontwikkelde zich. Ik koos de doorschuifvariant. Hij ontwikkelde zijn paard, zijn dame. Pionnenketens schoven in elkaar.

Het station verdween. Een groeiende zon zette het toneel van opzij in kersenkleur. Reizigers hielden even hun pas in. Werden even aandachtige grootmeesters om zich dan, geroepen door de klok, naar hun eigen bord te haasten.

We hebben zeker twee uur gespeeld. In de tussentijd had Jan ergens nog eens kersenjam en een stokbrood als extra prijzengeld versierd. Tijdens de partij braken we er gedrieën een stuk van af, drukten er met onze duimen een gat in, lieten het vol lopen met jam en genoten. Ook van de partij, die absoluut van een behoorlijk niveau was. Jules was het met me eens. Weliswaar knorde hij af en toe ontevreden, maar hij vond toch steeds op miraculeuze wijze de juiste voort­zetting. De uitslag was volkomen terecht.

Die twee slokken heb ik gekregen, nog één extra zelfs, en ik gaf hem mijn T-shirt. "Bon voyage, mon cher ami!" zei hij, toen de trein het station binnenliep. "Au revoir!" Ik heb vanuit het raampje gezwaaid, mijn duim opgestoken net zolang tot ik Jules niet meer zag...

De volgende dag bereikte ik om vijf voor vier versleten IJzendijke. De bank was nog open. Ik kocht van het geld chocola, Mars en Nuts en reed terug Vlaanderen in waar ik Jan voor dood had achter moeten laten in Watervliet - hier waren immers geen hellingen en bergen meer - en tegen de wind in (mijn wind!) bereikten we Vlissingen via Breskens om de volgende dag kilo’s lichter thuis te komen. Tegen Jan heb ik nooit meer geschaakt.)

© W. D. Platje 2007

Le Clochard: Overpeinzing

Het bericht <center>Jules verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/jules/feed/ 0 1121
Walter https://www.willemplatje.nl/walter/ https://www.willemplatje.nl/walter/#respond Mon, 03 Oct 2016 17:40:19 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1071 "A fronte praecipitium, a tergo lupi" (Erasmus, Adagia 3, 4, 94) (Van voren een afgrond, van achteren wolven) In Hotel Kennemerduin te Wijk aan Zee was het voor mij goed toeven in de jaren zeventig en tachtig. De grote Botwinnik mag het dan in zijn memoires vergeleken hebben met een studentenhuis, ik logeerde er niet, […]

Het bericht <center>Walter verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

"A fronte praecipitium, a tergo lupi" (Erasmus, Adagia 3, 4, 94)
(Van voren een afgrond, van achteren wolven)

In Hotel Kennemerduin te Wijk aan Zee was het voor mij goed toeven in de jaren zeventig en tachtig. De grote Botwinnik mag het dan in zijn memoires vergeleken hebben met een studentenhuis, ik logeerde er niet, maar het Hoogovens- schaaktoernooi heb ik daar wel enige malen bezocht.

Voor mijn gevoel was in dat hotel destijds alles aanwezig, wat je van een ouderwets schaaktoernooi zoals ik mij dat voorstelde verwachtte. Boekenstalletjes. Bladeren met gelijkgestemde geesten in gepaste rust bij gedempte gesprekken. Aparte speelzalen voor grootmeesters, meesters en dames. Diepe stilte. In de catacomben de net iets minderen, die vanwege hun schaakstatus genoegen moesten nemen met verdraaid weinig ruimte. Schaakdozen op de vloer. Het restaurant tevens demonstratiezaal met juist levendigheid en gespannen verwachting. Bediening door vriendelijke meisjes. Zwarte jurkjes, hagelwitte schortjes. De inwendige mens met broodjes kroket en één of meer drankjes versterken en Lex Jongsma op het podium: Ons fust vol kennis en anekdotes, als oberkelner onze schaakhonger stillend. Een fluistering ritselde door de zaal: “Max Euwe is er ook...”

Herinneringen vloeien in elkaar over. Jaren zijn niet duidelijk meer afgebakend. Maar vergeleken met de Moriaan van nu, ook niet slecht, moet ik toch bekennen, dat ik die sfeer van toen nooit meer terug heb gevonden. Het zal met het voortschrijden der jaren te maken hebben. Natuurlijk is mijn herinnering gekleurd: De jeugdige vervoering wijkt van ons naarmate we ouder worden. Nu ben en voel ik me overigens niet oud. Ik was er gewoon vroeg bij.

Bij de grootmeesters kon je redelijk dicht in de buurt komen. Er stonden direct na binnenkomst in de speelzaal wat van die goudkleurige standaardjes met daartussen dikke, rode, afhangende, gedraaide touwen, waar voorbij men niet geacht werd zich te begeven. Dat werd ook niet gedaan, er werd slechts heel vriendelijk en subtiel gedrongen.

Het is daar, dat ik hem voor het eerst zie spelen. Schaakspelen! Of moet ik zeggen, dat ik daar iemand… zie leven? Zelden…, nee nooit, heb ik een zo gepassioneerd schaker in al zijn in zichzelf verzonken extravertheid bezig gezien.

De tweede tafel aan mijn rechterhand. Hij valt me op. Beide spelers zijn zijdelings te zien. Hij heeft een diepzwarte snor en haar van dezelfde diepzwarte kleur. Vrij lang, zoals de meeste haren overigens van de wat jongere schakers in deze tijd. De ellebogen op de tafel geplant alsof ze er absoluut eens doorheen zouden moeten. De handpalmen langs beide wangen, duimen achter de oren en de vingers met kracht in het voorhoofd gedreven Denkrimpels op en neer woelend, wat overigens ook steeds met de haren op het voorhoofd gebeurt. Onder de tafel bewegen zijn benen rusteloos heen en weer, maar nog vaker vinden ze een ritme dat de tafel doet trillen. Naarmate de partij vordert en zijn bedenktijd bedenkelijk slinkt, bewegen zijn knieën in razender tempo op en neer. De hakken van de vloer, de tenen gekromd tegen het tapijt gedrukt. Dan volgt zijn moment van beslissing. Dit! Deze zet! Niets anders! Nooit even rechtop zitten om zich dan nog even van de juistheid van een zet te overtuigen en vervolgens in volstrekt zeker weten een kalme zet te doen… Zeker niet! Nee, in tegendeel: Een hand vliegt naar het stuk dat moet worden gezet, zwiept het naar een veld waar het grootste kwaad aangericht zal gaan worden, waarna dezelfde hand een bijna vernietigende klap aan de klok uitdeelt...

Steevast stond hij dan op. Spetterde zijn stoel achteruit en beende in hoog tempo naar de plaats vanwaar hij thee (meestal thee, meen ik me te herinneren) of iets anders te drinken meenam. Dat knalde hij dan naast zich neer. Noteerde dan pas zijn zet en verviel weer in wangwrijven, oorduwen, rimpelgepeins...

De partij, die ik daar ademloos volgde werd door mijn hoofdrolspeler gespeeld tegen Semyon Abramovich Furman. Een Rus. Deze ging zo op in het spel, was zo te zien zo onaantastbaar in zijn concentratie, dat hij ogenschijnlijk niets merkte van alle om hem heen ontstane spanningen. Semyon ging volkomen op in een wereld begrensd door acht bij acht velden. Voor hem bestond de rest die wij realiteit noemen daar even niet. Ik heb hem amper zien bewegen. Hij zat daar als een schaakstandbeeld en voerde af en toe (ik vroeg me zelfs af of het niet met enige weerzin was gezien zijn gelaatsuitdrukking) met afgemeten gebaren uiterst kalm zijn zetten uit en noteerde zijn zet voordat hij in uiterste rust zijn klok indrukte. Een volkomen in zichzelf afgedaalde speler, die deze wereld even vergat om tijdelijk in een voor hem even werkelijke wereld te verblijven.

Twee tegenpolen, twee mensen in een kleine, gesublimeerde wereld. Voor hen in de op dat moment enig mogelijke wereld: schaken.

Het adrenalinekanon, het tijdnoodbeest uit de Verenigde Staten kreeg het toch voor elkaar. Ook nu bracht hij met zelf de afgrond voor zich en de wolven huilend vanachter, zijn tegenstander ten val. De volgende dag werd dit allemaal teruggebracht tot een simpel regeltje in de pers: S. A. Furman – W. S. Browne 0 – 1. Ik wist wel beter ...
 

Walter Shawn Browne (Sydney 10 januari 1949), want daar gaat dit stukje (natuurlijk!) over, won het toernooi in 1974, werd in het jaar van de hierboven beschreven partij (1975) gedeeld achtste met Timman en de grote Geller. In 1980 deelde hij in Wijk aan Zee de eindoverwinning met Yasser Seirawan. Browne schaakt nog steeds al is zijn rol op topniveau uitgespeeld. Medelijden hoeven we niet te hebben, als professional in poker en backgammon doet hij goede zaken. Hij is nog immer vol vuur en passie. Recentelijk schijnt hij klapwiekend van de haast al zettend langs de borden bij een door hem gegeven simultaanseance gerend te zijn om niet te laat op een pokertoernooi te hoeven komen.

© W. D. Platje 2007

Naschrift: Walter Browne overleed op 24 juni 2015 plotseling in zijn slaap in Las Vegas Nevada, waar hij juist de laatste ronde van het 50th Anniversary National Open had voltooid. Hij eindigde er op de gedeeld 9e -15e plaats.

W. D. Platje 2015

Walter Browne: Afbeeldingen

Walter Browne: Wikipedia

Walter Browne: De partij tegen S. Furman

Het bericht <center>Walter verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/walter/feed/ 0 1071
Bert https://www.willemplatje.nl/bert/ https://www.willemplatje.nl/bert/#respond Sun, 25 Sep 2016 20:39:37 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1041 "Auctor abit operis, sed tamen exstat opus" (De maker van het kunstwerk gaat heen, zijn werk blijft bestaan) Omdat het nu eenmaal moet, loop ik driemaal daags met mijn hond en mijn kat een rondje. Senna is een driekleurige collie. Een langharige witte borst, verder overwegend zwart, behalve wat bruin op zijn snuit en poten. […]

Het bericht <center>Bert verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

"Auctor abit operis, sed tamen exstat opus"
(De maker van het kunstwerk gaat heen, zijn werk blijft bestaan)

Omdat het nu eenmaal moet, loop ik driemaal daags met mijn hond en mijn kat een rondje. Senna is een driekleurige collie. Een langharige witte borst, verder overwegend zwart, behalve wat bruin op zijn snuit en poten. Zwarte strepen, als tranen onder zijn ogen, geven hem een ietwat droef maar vertrouwenwekkend uiterlijk.

Mijn kat loopt altijd mee. Ooit als kleintje erbij gekomen denkt hij kennelijk dat het zo hoort. Zelf heb ik ooit Fons uitgekozen. Hij zat in een kooitje bij twee zusjes en werd volkomen weggedrongen door die meiden. Een katertje met een zacht karakter, dat zich al snel tot de schrik van de buurt ontwikkelde en waarvoor menig hond nog steeds een omweg verkiest. Gedrieën sloten we vriendschap en sinds die tijd lopen we gezamenlijk dagelijks onze rondjes. Eigenlijk laten zij mij uit.

Tot zover heeft dit verhaal niets met schaken te maken en zou het waarschijnlijk zelfs nooit geschreven zijn, ware het niet dat Senna, Fons en ik zo onze vaste gewoonten hebben. Senna houdt er van zijn rug even te schurken langs de kentekenplaat van een auto. Fons maakt het bonter. Hij draait zijn achterste naar dezelfde plaat en - met trillende staart - geeft hij krachtig spetterend een natte blijk van zijn aanwezigheid. Hij is de enige kat die ik ken, die er een achterpootje bij optilt. Zelf probeer ik altijd een woord of zin te maken van de letters die op kentekenplaten staan door er klinkers tussen te voegen. En dus zag ik: NK-LR-71. Mijn automatisme vulde in: Enklaar 1971. Een vreemde overgang naar het schaken, maar de menselijke geest maakt, zelfs niet in het nauw, rare sprongen.

Het was deze gebeurtenis die me in gedachten verplaatste naar de V&D-simultaantoernee van begin jaren '70. Door het hele land werden destijds 's avonds in de restaurants van V&D-vestigingen simultaanséances gehouden. Grootmeesters en internationale meesters gaven acte de présence. Wat precies de reden was, weet ik niet meer. Het zal wel een reclamecampagne van de winkelketen geweest zijn. Vrij nerveus nam ik plaats met zo'n 20 mede-amateurs om het de simultaangever lastig te gaan maken. Het was de eerste simultaan, die ik zou gaan spelen.

De internationaal meester, die het tegen ons opnam was Bert Enklaar. Een vrij lang gezicht, hoog voorhoofd, bril, afwezige indruk. Oplettende ogen evenwel. Hij bewoog zich bedachtzaam binnen de in een carré opgestelde tafels langs de borden. Jong, onbevangen en opgewonden als ik was, speelde ik op zijn openingszet een kennelijk ongebruikelijke tegenzet in de hoop om via verwisseling van zetten een voor mij wat bekendere opening op het bord te krijgen. Het kwam me op een fronsende en enigszins meewarige blik van Bert te staan. Ik voelde dat. Wangen en voorhoofd werden warm. Aanvankelijk even van mijn stuk gebracht, besloot ik echter de rug te krommen en er eens goed voor te gaan zitten.

Langzaam ontwikkelde zich de strijd en allengs bleek, dat ik taaie tegenstand kon bieden. Intussen legde de ene na de andere tegenstander moedeloos zijn koning om. Het nadeel hiervan was, dat Bert steeds frequenter aan mijn bord verscheen en de regels gebieden dat je dan onmiddellijk dient te zetten. De bedenktijd werd al korter en korter. Toen plots vier van mijn lotgenoten hun ongelijke strijd tegelijkertijd opgaven en Bert de hand schudden, waren we nog met tweeën. Gelukkig bleek hij de grootste moeite te hebben in zijn partij aan de overkant. Een oude rot uit het regionale schaak bleek hem het vuur na aan de schenen te leggen, waardoor ik toch steeds enig respijt kreeg. Tot mijn leedwezen gaf Bert enige tijd later die partij op. Naar later bleek zijn enige verliespartij. Een snelle blik in het rond leerde me, dat ik de laatste zwoeger in de speelzaal was. Er werden reeds flessen geopend en het geroezemoes nam toe.

Achter de laatst overblijvende verzamelden zich steeds meer toeschouwers. Bert begaf zich kalm mijn kant op. Achter mijn rug gefluister: “Wat denk je van toren c7? Is zeker remise!”. Kennelijk kon iemand zich niet inhouden en voegde me zachtjes een goedbedoelde raad toe. Ik draaide me om. Hij kwam me bekend voor. Eigenzinnig als ik was, enigszins in verlegenheid en er destijds nog van overtuigd, dat je alles met behulp van het eigen denkvermogen moet doen, sloeg ik de aanbeveling in de wind en besloot tot iets anders. De raadgever, die ik later beter leerde kennen, was naast journalist van de plaatselijke krant ook een sterk schaker. Bert kwam aan het bord. Ik zette met onvaste hand. Bert fronste weer, keek me over zijn bril heel even aan en voerde zelfbewust zijn zet uit …

Ik kreeg, als laatst overgebleven verliezer van de ongeveer honderd schakers, een fles wijn en een cadeaubon van het concern. Vijfentwintig gulden en een Beaujolais. Toren c7 was ook volgens Bert remise. Ik was bedroefd …
 

Bertus F. Enklaar (1943-1996) werd in 1973 gedeeld eerste in het NK met Coen Zuidema en Genna Sosonko. De driekamp die volgde werd door Sosonko gewonnen. Hij speelde de olympiades in Skopje (1972) en in Nice (1974) mee voor het Nederlandse team. Vermeldens­waard is zijn over­winning op grootmeester Ljubojevic in het Lost Boys-toernooi. Op zeer begrijpelijke wijze schreef hij boeken voor onervaren spelers. Ik heb er een deel van mijn schaakplezier en ervaring aan te danken.

© Willem D. Platje 2007

Bert Enklaar: Hans Ree in de NRC

Bert Enklaar: Wikipedia

Het bericht <center>Bert verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/bert/feed/ 0 1041