Wim Platje https://www.willemplatje.nl Verhalen, Columns, Parafernalia Fri, 15 Nov 2019 14:07:57 +0000 nl hourly 1 https://wordpress.org/?v=5.3.2 https://i0.wp.com/www.willemplatje.nl/cms/wp-content/uploads/2015/11/cropped-Wim-Platje.-De-Noot3.jpg?fit=32%2C32&ssl=1 Wim Platje https://www.willemplatje.nl 32 32 117242112 Olivier Sirius https://www.willemplatje.nl/olivier-sirius/ https://www.willemplatje.nl/olivier-sirius/#respond Wed, 19 Jun 2019 18:31:30 +0000 https://www.willemplatje.nl/?p=2075 Olivier Sirius werd  op  donderdagavond 23 augustus 1951 te vondeling gelegd voor de ingang van het gebouw van het Rotterdams Gemeentearchief aan de Mathenesserlaan 315. Voorbijgangers hoorden en vonden het jongetje in een rieten boodschappenmand. Het kind lag daarin op een kussen toegedekt met een dubbelgevouwen deken. In het ziekenhuis bleek, dat de baby slechts […]

Het bericht <center>Olivier Sirius verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Olivier Sirius werd  op  donderdagavond 23 augustus 1951 te vondeling gelegd voor de ingang van het gebouw van het Rotterdams Gemeentearchief aan de Mathenesserlaan 315.

Voorbijgangers hoorden en vonden het jongetje in een rieten boodschappenmand. Het kind lag daarin op een kussen toegedekt met een dubbelgevouwen deken. In het ziekenhuis bleek, dat de baby slechts enige uren eerder ter wereld gekomen moest zijn, waardoor het politie-onderzoek naar de moeder zich in eerste instantie beperkte tot de nabije omgeving. Op de bodem van de boodschappenmand, afkomstig van Aangeenbrugs' Mandenmakerij sinds 1890 te Lisse, trof men een bladzijde van de Nieuwe Rotterdam se Courant van de vorige dag aan. Aan de onderkant van die pagina stond een Bommel-strip, op de andere zijde een wetenschappelijk artikel over de enorme massa van de dwergster Sirius B. De ambtenaar van de burgerlijke stand schreef het kind in en stelde de voorlopige voornaam en geslachtsnaam vast op respectievelijk Olivier en Sirius.

Olivier werd ondergebracht bij een ongewenst kinderloos echtpaar:  Abraham de Moraatz, notaris en zijn vrouw de schrijfster Anna de Moraatz-Bastiaanse. Zij woonden aan de Heemraadssingel, niet ver van de plaats waar Olivier gevonden werd.

Van zijn kleuterjaren is slechts bekend, dat hij bijzonder zuiver kon zingen, maar steevast weigerde zijn stemgeluid te laten horen als hij dat in zijn eentje moest doen. Uit zijn lagere schoolrapporten blijkt, dat hij heel redelijk mee kon komen, maar ook treffen we daarin aantekeningen als "dromer", "niet altijd bij de les" en "snel afgeleid" aan. Vanwege de status van zijn vader, die het oordeel "geschikt voor het M.U.L.O."  van hoofd der school Bangma betwistte, kreeg hij een plaatsje op het Montessori Lyceum Rotterdam aan de Schimmelpenninckstraat. Na moeizame eerste jaren - hij doubleerde in de derde klas en ruziede voortdurend met de mannelijke leraren -  slaagde hij uiteindelijk toch, zij het met de hakken over de sloot. Gedurende die jaren blijkt zijn uitzonderlijk muzikaal talent.

Olivier gaat op aandringen van zijn vader, die in een conservatoriumopleiding geen goede toekomst voor zijn adoptiefzoon ziet, rechten studeren in Leiden, maar geeft er na anderhalf jaar voornamelijk feesten en drinken de brui aan. Opgenomen in de hippie-cultuur van begin jaren '70 besluit hij naar Parijs te gaan, waar hij verblijft bij vrienden in de Rue Cauchois een zijstraat van de Rue Lepic in Montmartre.

Daar probeert hij, te koppig om geld van zijn vader aan te nemen, in zijn levensonderhoud te voorzien met het zingen van Franse chansons, zichzelf begeleidend op de gitaar.

Het is bovenaan de Rue Foyatier, een 222 treden tellende trap die naar het bordes van de Basilique du Sacré-Cœur leidt, dat ik Olivier voor het eerst ontmoette. Ik had de parallel aan de trap gelegen Funiculaire de Montmartre, een kabeltreintje, letterlijk links laten liggen en stond bovenaan nahijgend naar Olivier te luisteren. Ik hoorde aan zijn accent, dat hij geen Fransman was en toen een straatboefje probeerde wat francs uit zijn bedelpet te roven kon ik zijn nationaliteit aan een hartgrondig "godverdomme" vrij gemakkelijk vaststellen.

Ik legde mijn rugzak af en sprak hem aan, complimenteerde hem met zijn stem en zijn spel.  Hij taxeerde me even met zijn opvallend lichtgrijze ogen en na een korte blik op mijn rechterhand drukte hij me de gitaar in de handen en sprak de gedenkwaardige eerste woorden van wat een lange vriendschap zou worden: "Hier ..., doe jij ook is wat voor de kost".

Het bericht <center>Olivier Sirius verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/olivier-sirius/feed/ 0 2075
Remise als ik het wil! https://www.willemplatje.nl/remise-als-ik-het-wil/ https://www.willemplatje.nl/remise-als-ik-het-wil/#respond Sat, 04 Mar 2017 20:47:25 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1316 De bekendste anekdote over de grote schaker Akiba Rubinstein, die in 1882 in het toen Russische en nu Poolse Stawiski geboren werd en in 1961 in België stierf, gaat over zijn partij in de laatste ronde van het prestigieuze toernooi van Karlsbad 1907 tegen Heinrich Wolf. Een mooi verhaal, alleen is de speelse zelfverzekerdheid die […]

Het bericht <center>Remise als ik het wil! verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

De bekendste anekdote over de grote schaker Akiba Rubinstein, die in 1882 in het toen Russische en nu Poolse Stawiski geboren werd en in 1961 in België stierf, gaat over zijn partij in de laatste ronde van het prestigieuze toernooi van Karlsbad 1907 tegen Heinrich Wolf.

Een mooi verhaal, alleen is de speelse zelfverzekerdheid die er uit spreekt moeilijk te rijmen met het algemene beeld van Rubinstein dat in de schaakliteratuur is overgeleverd. Mensenschuw zou hij zijn geweest, zenuwachtig en soms dicht bij een geestelijke ineenstorting.Rubinstein stond bovenaan met 14½ uit 19. De enige die nog gelijk met hem zou kunnen komen was de Hongaar Maroczy, die een punt minder had. Maroczy moest in de laatste ronde met wit tegen Janowsky, Rubinstein met zwart tegen Wolf. Als Maroczy zou winnen (wat inderdaad gebeurde) en Rubinstein zou verliezen, zou de eerste prijs gedeeld moeten worden. De avond voor de laatste ronde (zo wordt het verhaal overgeleverd door de Oostenrijkse meester Hans Kmoch) hielden Wolf en Maroczy krijgsraad. De gezamenlijke openingsanalyses gaven de anders nogal timide Wolf groot zelfvertrouwen en plechtig verklaarde hij tegen zijn vriend Maroczy dat hij de grote Rubinstein de volgende dag zou verslaan.

Helaas, na een nachtje slapen was Wolf weer de oude: op de 22ste zet bood hij Rubinstein remise aan. Rubinstein, die met remise toernooiwinnaar zou zijn, weigerde. Tot ieders verbazing, maar al gauw bleek dat de weigering objectief gerechtvaardigd was geweest. Met een zeer voor de hand liggende zet kon Rubinstein drie zetten later een mat-aanval beginnen die binnen een paar zetten de partij in zijn voordeel zou beslissen. Alle toeschouwers zagen de zet, maar Rubinstein deed een andere. Zou die misschien nog sterker zijn? Nee, een paar zetten later werd de partij remise door herhaling van zetten. Rubinstein had het toernooi gewonnen.

De verbijsterde toeschouwers stormden op hem af en de volgende dialoog is door vele schaakschrijvers opgetekend: “Grootmeester, zag u de zet niet waarmee u kon winnen, hij lag toch voor de hand?“ “Natuurlijk zag ik die zet wel", antwoordde Rubinstein enigszins korzelig, "maar ik had genoeg aan remise.“ “Maar", zo ondervroeg men hem verder, "dat is toch onzin grandmaitre, als u alleen maar remise wilde, waarom sloeg u het voorstel dan af toen Wolf het na tien zetten deed?“ De excentrieke Rubinstein gaf vervolgens het antwoord, dat hem onsterfelijk zou maken in de schaakwereld: “Tegen Wolf maak ik remise als ik het wil, niet als hij het wil!“

Dit is de stelling waarin Rubinstein met 24...Th5 had kunnen winnen: 25. h3 Pg4! 26. fxg4 Txh3+ en zwart geeft snel mat. In de partij werd gespeeld 24...Lb7-a6 25. Pc4-b2 La6xd3 26. Td1xd3 Td5xd3 27. Pb2xd3 Dc7-c4 28. Pd3-e5 Dc4-c7 29. Pe5-d3 Dc7-c4 30. Pd3-e5 Dc4-c7 31. Pe5-d3 Dc7-c4 Remise.

Had Rubinstein de zet 24...Th5 gezien? Dat moet haast wel, een zet die mat in één dreigt is moeilijk over het hoofd te zien en de verwikkelingen daarna zijn ook niet bepaald ondoorgrondelijk. Behalve met het elegante 25...Pg4 kan zwart ook winnen met het brute 25...Lxf3.

Waarom forceerde Rubinstein dan remise door zetherhaling? Het antwoord moet helaas zijn dat Rubinstein helemaal geen remise 'forceerde' met zijn afwikkeling. Er was voor wit geen enkele reden om het merkwaardige 29. Pd3 te spelen, hij had net zo goed de partij kunnen voortzetten met het gewone 29. c4. De remise werd overeengekomen, niet door Rubinstein geforceerd. Het partijfragment suggereert wel heel sterk een banale verklaring voor de vreemde remise. De remise moet van te voren zijn afgesproken, anders is noch 24...La6? noch 29. Pd3? te verklaren. Toen Wolf na tien zetten voorstelde om het bijltje er bij neer te leggen, moet Rubinstein iets gezegd hebben als: “Nog even doorspelen, anders maakt het zo'n slechte indruk op het publiek.“ Vervolgens zag hij de winstzet, maar hij mocht hem niet spelen en Wolf was natuurlijk al lang blij dat hij met 29. Pd3?! een enigszins plausibele weg naar de afgesproken remise kon vinden.

Het verhaal dat ons overgeleverd is, is veel mooier. Het spijt me echt dat ik het naar de vuilnisbak van de schaakgeschiedenis denk te moeten verwijzen. Het is maar goed dat de meeste schaakschrijvers het niet als hun belangrijkste taak zien om nauwkeurig te controleren of de verhalen die ze navertellen wel helemaal waar zijn. We zouden het mooiste deel van de schaakliteratuur kwijtraken.

Door: Hans Ree - 29 oktober 1994
Bewerking: Willem D. Platje 2017 ©

Akiba Rubinstein

Het bericht <center>Remise als ik het wil! verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/remise-als-ik-het-wil/feed/ 0 1316
De Rosenthalpartij https://www.willemplatje.nl/de-rosenthalpartij/ https://www.willemplatje.nl/de-rosenthalpartij/#respond Thu, 22 Dec 2016 21:42:54 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1293 Wie uit hetgeen beschreven is in de anekdote "Dreigsigaar" de indruk heeft gekregen, dat het hier om een op zichzelf staand incident ging tijdens het toernooi te New York uit 1927 moet die impressie wellicht toch enigszins bijstellen. Grootmeesters zijn net mensen en voorafgaand aan het toernooi waren het de nukken van sommige "grand-maîtres", die […]

Het bericht <center>De Rosenthalpartij verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Wie uit hetgeen beschreven is in de anekdote "Dreigsigaar" de indruk heeft gekregen, dat het hier om een op zichzelf staand incident ging tijdens het toernooi te New York uit 1927 moet die impressie wellicht toch enigszins bijstellen.

Grootmeesters zijn net mensen en voorafgaand aan het toernooi waren het de nukken van sommige "grand-maîtres", die het organisatiecomité nogal wat hoofdbrekens bezorgden.

Na het succes van het toernooi te New York in 1924 dat zij organiseerden besloten Norbert Lederer en zijn 'associates' een match-toernooi te organiseren met zes of zeven grootmeesters, waarbij iedere speler de andere deelnemers vier keer zou ontmoeten. Geza Maroczy werd gevraagd als toernooidirecteur op te treden en uitnodigingen werden verzonden aan Jose Raul Capablanca, Emanuel Lasker, Frank James Marshall, Alexander Aljechin, Efim Bogoljubov, Aäron Nimzowitsch en Milan Vidmar. Capablanca was de enige speler, die een startvergoeding zou ontvangen.

Echter, vanwege een incident met Capablanca in een van zijn partijen in het evenement van 1924 was Lasker betrokken in een bitter en publiekelijk uitgevochten dispuut met Capablanca en enkele leden van het organiserende comité. Hij reageerde niet op de uitnodiging en zijn plaats werd aangeboden aan Rudolf Spielmann, die de uitnodiging onmiddellijk accepteerde.

Bogoljubov schreef het comité een brief, waarin hij een startgeld van $1500 eiste. Bovendien wenste hij, dat het toernooi zou worden vervangen door een wereldkampioenschapsmatch tussen hemzelf en Capablanca. Zijn voorwaarden waren gesteld in de vorm van een ultimatum, dat door het organiserend comité vanzelfsprekend niet kon worden geaccepteerd. Het comité besloot vervolgens, dat de plaats van Bogoljubov niet aan iemand anders ter beschikking zou worden gesteld, waarmee het beoogd aantal spelers derhalve met één gereduceerd werd.

In een aantal verklaringen werd gesteld, dat het toernooi gezien zou moeten worden als een kwalificatietoernooi, waaruit de uitdager van de wereldkampioen zou voortkomen. Toen Aljechin hiervan hoorde , was hij furieus, omdat hij en Capablanca reeds de voorwaarden hadden vastgelegd voor hun aanstaande wereldkampioenschapsmatch voor september van dat jaar. Aljechin, zo stelde hij, zou weigeren aan het toernooi deel te nemen tenzij men hem de verzekering zou geven, dat zijn deelname aan het toernooi de voorwaarden die eerder waren overeengekomen niet op losse schroeven zou zetten. Het comité telegrafeerde die verzekering netjes en met instemming van Capablanca naar Aljechin, die vervolgens zijn acceptatie van de uitnodiging bevestigde.

Het is in deze broeierige en van zinderende spanning tintelende sfeer, dat het toernooi zich dag na dag voltrok. Tijdens het toernooi ontving Milan Vidmar een uitnodiging voor een gezellig avondje. Blij even verlost te zijn van de enorme pressie, die het spelen van een zo zwaar toernooi op hem legde nam Vidmar die uitnodiging graag aan. Op de soirée werd hij voorgesteld aan de in die dagen beroemde Poolse pianist Moritz Rosenthal. Rosenthal was een briljante leerling van Franz Liszt en vriend en collega van enige van de grootste musici van zijn tijd, waaronder Johannes Brahms, Johann Strauβ, Anton Rubinstein, Hans von Bülow, Camille Saint-Saëns, Jules Massenet en Isaac Albéniz.

De Poolse pianist speelde voor de Sloveen Vidmar de "Schatzwalzer" uit "Der Zigeunerbaron", een operette van Johan Strauβ jr. Vidmar was na afloop diep geroerd en bedankte Rosenthal omstandig voor zijn prachtige pianospel. Rosenthal, die zelf ook schaakte en er zich zeer voor interesseerde keek hem ernstig aan en sprak: "U speelt morgen tegen Nimzowitsch. Ik zal erbij zijn. Morgen speelt u voor mij!".

De volgende dag werd de historische "Rosenthal-partij" gespeeld. Er wordt beweerd, dat het incident met de sigaar tijdens deze partij plaats vond. In ieder geval: Vidmar won van Nimzowitsch en stevende na afloop trots op Rosenthal af, die hem bij de ingang van de speelzaal opwachtte. Vidmar maakte een kleine buiging en zei tegen Rosenthal: "Zijt gij tevreden meester?". Rosenthal antwoordde op zijn beurt met een zweem van een glimlach vanonder zijn imposante snor: "O, stellig goede vriend... nu staan wij quitte".

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Moriz Rosenthal

Moriz Rosenthal

Milan Vidmar

Milan Vidmar

Het bericht <center>De Rosenthalpartij verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/de-rosenthalpartij/feed/ 0 1293
Dreigsigaar https://www.willemplatje.nl/dreigsigaar/ https://www.willemplatje.nl/dreigsigaar/#respond Thu, 22 Dec 2016 21:04:25 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1285 Op mijn zoektocht naar schaakanekdotes stuitte ik, bijna vanzelfsprekend, op een echte klassieker, die ik evenwel niet wil onthouden aan diegenen, die zich doorgaans slechts verdiepen in het schaken zelf en niet in alle verhalen, die er rond zweven. Ik kende het verhaal al, maar na enig internetspeurwerk geraakte ik toch enigszins in verwarring. Er […]

Het bericht <center> Dreigsigaar verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Op mijn zoektocht naar schaakanekdotes stuitte ik, bijna vanzelfsprekend, op een echte klassieker, die ik evenwel niet wil onthouden aan diegenen, die zich doorgaans slechts verdiepen in het schaken zelf en niet in alle verhalen, die er rond zweven.

Ik kende het verhaal al, maar na enig internetspeurwerk geraakte ik toch enigszins in verwarring. Er bestaan kennelijk verscheidene versies van deze anekdote, met verschillende hoofdrolspelers en een steeds iets ander slot.

Tijd derhalve om mijn goede vriend Tom van Bokhoven eens te consulteren. Tom bezit een zeer uitgebreide collectie historische schaakboeken en daar zijn de nodige exemplaren vol anekdotes bij. Ik vroeg hem derhalve of het nu Aljechin en Capablanca waren, die de acteurs in het verhaal over de sigaar zijn, of wellicht toch Vidmar en Nimzowitsch.

Welnu, zoals het een waar schaakcollectioneur betaamt heeft hij zijn bibliotheek aan een nauwgezet onderzoek onderworpen en stuurde mij de volgende conclusie: “Willem, in “The Bright Side of Chess” van Irving Chernev (Uitgegeven bij McKay in 1948) vond ik deze versie van die beroemde schaakanekdote. Er zijn inderdaad verschillende versies, maar dit is degene, die ik het aannemelijkst acht. Bijgaand stuur ik je een tweetal afdrukjes uit dat boek”.

Inmiddels verdronk ik bijna in de vele varianten van het verhaal. Hier en daar wordt zelfs de “Rosenthalpartij” tussen Vidmar en Nimzowitsch met deze anekdote verweven. Daaraan wijd ik een apart stukje in deze serie, maar hier volgt nu mijn versie van wat ik in een vrijmoedige schrijfbui de “Dreigsigaar” heb gedoopt:

Er zijn zo veel varianten van deze anekdote, dat het bijna apocriefe geschriften dreigen te worden, (De kerkvaders besloten zo’n viertal eeuwen na de dood van Christus, dat die apocriefe vertellingen niet in de Bijbel mochten worden opgenomen en zo zijn het evangelie van Maria Magdalena en zelfs dat van Judas uit het Boek gebleven…) maar in deze vertelling is het 1927 AD. Dit verhaal hoort zeker een prominente plek in de Schaakbijbel in te nemen. “En het geschiedde in die dagen, dat New York de plaats van handeling was …” Het befaamde internationale toernooi, waarin uitgemaakt zou worden, wie de uitdager zou zijn, die tegen Raoul Capablanca om de wereldtitel zou mogen gaan strijden.

Die dag waren de acteurs de grootmeesters Nimzowitsch, Aäron Nimzowitsch om precies te zijn, en Vidmar, Milan Vidmar om nog preciezer te zijn, elkaars tegenstander. Direkt nadat zij hun partij volgens het speelschema voor die dag aanvingen, stak Vidmar genoeglijk een sigaar op, nam een paar trekjes, deed zijn zet en leunde genietend achterover.

Nimzowitsch echter ergerde zich aan de rook, die zich langzaam over het bord in zijn richting verplaatste, maar volgens de toernooiregels mocht hij zich niet direkt tot Vidmar wenden om hem te vragen te stoppen met het roken van zijn sigaar. Elk verzoek dienaangaande mocht slechts via het toernooicomité worden gedaan en dus deed Nimzowitsch zijn zet, drukte geïrriteerd zijn klok in en ging zich, zichtbaar geagiteerd, bij de organisatie beklagen. Het comité oordeelde, dat het een alleszins redelijk verzoek was en dus wendde één van haar leden zich tot Vidmar en fluisterde iets in diens oor. Vidmar bleef kalm, maakte in het geheel geen ophef en doofde op zijn dooie gemak secuur zijn sigaar. De partij vorderde, maar op een gegeven moment nam Milan zijn sigaar weer tussen de vingers, diepte een doosje lucifers uit zijn zak op, nam er één van de houtjes uit en legde dat tezamen met het doosje naast de asbak…

Onmiddellijk, als door een wesp gestoken beende Nimzowitsch met een rood hoofd naar het toernooicomité om tegen deze gang van zaken te protesteren. “Maar meneer Nimzowitsch”, zei één van hen kijkend in de richting van Vidmar, “Uw tegenstander rookt toch niet?” “Neee! Dat weet ik!” riep Nimzowitsch bijna paars van woede uit, “maar hij dreigt ermee!!!”

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Milan Vidmar

Het bericht <center> Dreigsigaar verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/dreigsigaar/feed/ 0 1285
Arrêt sanitaire https://www.willemplatje.nl/arret-sanitaire/ https://www.willemplatje.nl/arret-sanitaire/#respond Wed, 21 Dec 2016 20:07:16 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1269 In 1938 werd in Groningen, de toenmalige woonplaats van de jeugdige Jan Haijer, de vierde ronde van het befaamde AVRO-toernooi gehouden. Op 12 november, in de grote concertzaal van De Harmonie, zat hij als scholier tussen zijn teken- en wiskundeleraar op de voorste rij. Om de vierde ronde van het evenement bij te wonen had […]

Het bericht <center>Arrêt sanitaire verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

In 1938 werd in Groningen, de toenmalige woonplaats van de jeugdige Jan Haijer, de vierde ronde van het befaamde AVRO-toernooi gehouden. Op 12 november, in de grote concertzaal van De Harmonie, zat hij als scholier tussen zijn teken- en wiskundeleraar op de voorste rij.

Om de vierde ronde van het evenement bij te wonen had de wiskundeleraar, een verwoed schaakliefhebber, een proefwerk naar de volgende dag verschoven en kreeg Jan, net een paar jaar lid van Staunton, van thuis permissie om de hele avond toe te kijken.

Op het grootmeesterlijk podium speelden Keres en Reshevsky tegen elkaar, Euwe speelde die avond tegen Fine, Flohr was de opponent van Aljechin en Botwinnik bestreed met zwart José Raúl Capablanca y Graupera. De jeugdige Jan Haijer zat zo gunstig dat hij zijn idool Capablanca recht in de ogen kon kijken.

De Cubaanse ex-wereldkampioen zat op het halvemaanvormige podium met zijn rug naar Aljechin, die bepaald geen vriend van hem was. En dat is nog vrij vriendelijk uitgedrukt. Beide grootmeesters zaten gescheiden door een rode loper, een smal pad naar de koffieruimte en de toiletten, diep in gedachten verzonken. Een mens blijft een mens en schaakpartijen duren doorgaans lang. Op een gegeven moment stonden beide grootmeesters toevallig tegelijk op, draaiden zich naar elkaar toe, deden nietsvermoedend een pas, richtten zich in hun volle lengte op, rechtten hun rug en keken elkaar vervolgens ongewild in de ogen. Als door een wesp gestoken wendden beide spelers zich van elkaar af en namen hun plaats achter het bord weer in. Hoewel er duidelijk sprake was van hoge nood, wilde noch de één, noch de ander voor gentleman spelen door voorrang te verlenen.

Een paar minuten later liep Aljechin, die zag dat Capablanca bezig was een zet te noteren, dan toch eindelijk weg. De speelzaal uit? Nee, vlak voor de deur naar de ruimte, waar zich de toiletten bevonden stonden enkele grote bakken met palmen en met de rug naar spelers en publiek posteerde Aljechin zich daar wijdbeens. Jan Haijer had meer oog voor de reactie van Capablanca, die, na even het tafereel te hebben bekeken, de zaal in keek met een blik, die absolute en opperste minachting verried.

Een kwartiertje later stond ook de Cubaanse grootmeester op. Op dat moment had Jan Haijer gewacht. Hij liep de zaal uit en kwam via een zijdeur bij de gang, die naar de toiletten leidde. Een paar tellen later stond hij oog in oog met zijn grote voorbeeld. José Raoul Capablanca y Graupera. De jonge Groninger toonde zijn notitieboekje en gaf Capablanca zenuwachtig een potlood. Capablanca, de rust zelve, schudde Jan Haijer vriendelijk de hand en zei in het Engels dat hij tot zijn spijt vandaag niet zou kunnen winnen (de partij tegen Botwinnik eindigde in remise – red.), zette zijn handtekening in het notitieboekje en vroeg: ,,Schaak je graag?" ,,Natuurlijk, echt heel erg… eh, eh… erg graag meneer", antwoordde het Staunton-talent. ,,Well... Try to be a gentleman too", vervolgde de grootmeester, gaf Jan een aai over zijn bol en beende vervolgens op zijn gemak weer terug naar het podium.

Grootmeester, gentleman, schaker, pedagoog en voorbeeld: Raúl Capablanca….

Voor de geïnteresseerden volgen hieronder de uitslagen van dit dubbelrondig toernooi:

Uit: Kinderen van Caïssa (Schaakvereniging te Hoorn) door Co Buysman.

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Alexander Aljechin

Het bericht <center>Arrêt sanitaire verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/arret-sanitaire/feed/ 0 1269
Mat in 12 https://www.willemplatje.nl/mat-in-12/ https://www.willemplatje.nl/mat-in-12/#respond Tue, 20 Dec 2016 15:22:53 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1263 Van Raúl Capablanca (1888-1942), wereldkampioen schaken van 1921 tot 1927, is bekend, dat hij ooit onder het genot van een mooie Havanna en een goed glas wijn het volgende verhaal aan een goede vriend vertelde: “Een aantal jaren geleden was ik in Duitsland voor een belangrijk schaaktoernooi toen ik in de lobby van het hotel […]

Het bericht <center>Mat in 12 verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Van Raúl Capablanca (1888-1942), wereldkampioen schaken van 1921 tot 1927, is bekend, dat hij ooit onder het genot van een mooie Havanna en een goed glas wijn het volgende verhaal aan een goede vriend vertelde:

“Een aantal jaren geleden was ik in Duitsland voor een belangrijk schaaktoernooi toen ik in de lobby van het hotel zachtjes op mijn schouder werd getikt. Ik draaide me om en deinsde onwillekeurig terug. Het was een oude man. Eén van het soort, dat nu niet tot de meest aantrekkelijke bejaarde mannetjes behoort. Een gezicht vol vouwen, een vaalgrijze gelaatskleur, kleine rattenoogjes die me priemend aankeken, een gerafelde flambard op het hoofd en enigszins gebocheld. Ik geneerde me een beetje voor mijn primaire reactie en omdat ik dacht dat hij een handtekening van me wilde tastte ik alvast naar mijn pen. Het mannetje echter legde met een verrassend snelle beweging zijn hand op mijn pols en zei raspend: “Ik heb het schaken opgelost!”

Enigszins geschrokken deed ik een stap terug. Je kunt immers nooit weten of zo’n gek niet ook gevaarlijk is. Het mannetje grinnikte wat bruine tanden bloot en sprak op fluisterende toon: “Ik ben niet gek. Wees niet bevreesd. Ik wed met u om vijftig mark dat ik het u bewijzen kan.” Schichtig keek hij om zich heen om vervolgens hees te vervolgen: “Op mijn hotelkamer, ik zal het u bewijzen. Ja, u hoeft zelfs niet eens te wedden als dat u tegenstaat. Ik schenk u nu vijftig mark als u mij de gelegenheid geeft om het bewijs te leveren!” Met een snel gebaar toverde hij vijftig Reichsmark uit zijn zak, greep mijn onderarm en voordat ik ook maar kon reageren drukte hij me het biljet in de hand. “Eerste verdieping, het bord staat klaar.” Beduusd volgde ik hem de brede trap op naar de eerste verdieping. Hij hinkte een beetje. Een licht gevoel van medelijden drong zich aan mij op. Ik schudde het af. “Vijftig mark is immers vijftig mark en hij wil het zelf”, bedacht ik onderweg en stapte met hem zijn hotelkamer binnen…

Op een tafel voor het raam stond inderdaad een schaakbord met alle stukken reeds in de beginstand. Niet het minste schaakbord. Fijn ingelegd met exquise houtsoorten en met prachtige eiken- en ebbenhouten stukken. Een lust voor het oog. Inmiddels lichtelijk geamuseerd nam ik plaats achter de zwarte stukken. Het mannetje hinkte krakend naar de andere stoel. Steunend hees hij zich erop. ‘Ik heb het helemaal opgelost. Waarlijk! Wit geeft mat in 12 zetten ongeacht wat voor tegenspel van zwart dan ook.” Hij speelde zijn eerste zet. Ik deed nonchalant de mijne en wachtte toch wel een beetje gespannen op wat komen ging. Tot mijn verbazing stelde ik vast dat de witte stukken een wel heel vreemde samenwerking aangingen. Wat lacherig speelde ik verder, om er even later tot mijn stomme verbazing achter te komen, dat ik onverwacht mat ging op zet 12!

“Excuseer” zei ik, terwijl ik niet op mijn gemak de triomfantelijke oogjes trachtte te vermijden. “Ik was er kennelijk met de gedachten even niet helemaal bij, ik heb een nogal uitputtende partij gespeeld vandaag, ziet u. Staat u mij toe nu wel bij de les te zijn?” Hij knikte zwijgend, maar zijn flauwtjes opgetrokken wenkbrauwen getuigden van nauwelijks verholen plezier. Lichtelijk geërgerd speelde ik opnieuw. Deze keer wel één van mijn vertrouwde openingen, waarbij het absoluut onmogelijk is om in een dergelijke stelling terecht te komen. Wit speelde een aantal zeer ongebruikelijke zetten, die ik als absoluut inferieur taxeerde, maar tot mijn afgrijzen vond ik mijn koning als uit het niets omsingeld en stond ik mat op zet 12!

Het mannetje keek me aan. “Overtuigd?”, raspte hij. “Krijg vijftig mark van u terug.” Verbouwereerd keek ik hem aan. “Dit is kennelijk mijn dag niet”, stamelde ik. “Wacht u alstublieft even? Ik ben direct weer bij u terug.” Ik struikelde naar de deur en bijna in paniek rende ik naar beneden om hulp te halen. Ik trof tot mijn fortuin voormalig wereldkampioen Emanuel Lasker, die in de lobby met Alexander Aljechin, regerend wereldkampioen, in geanimeerd gesprek was. Over mijn woorden struikelend deed ik met overslaande stem mijn verhaal. Ze moeten gedacht hebben, dat ik op slag idioot geworden was, maar bezorgd en natuurlijk uitermate sceptisch stemden ze toe om mee te gaan, al was het maar om mij in de gaten te kunnen houden. Natuurlijk zag ik wel dat ze veelbetekenende blikken uitwisselden, maar dat was mij op dat moment om het even. Lasker speelde lacherig wat zetten, maar afschuw stond op zijn gelaat te lezen toen hij in 12 zetten als uit het niets mat stond. Wat narrig nam hij de tweede keer geen risico’s en speelde, op zijn hoede, zo voorzichtig mogelijk. Na een aantal zinloos lijkende zetten van wit echter, zat ook hij voor de tweede keer in een matnet met als resultaat mat op zet 12. Aljechin probeerde het eveneens tot twee maal toe maar ook hij wist zet 13 niet te bereiken.

Het was echt verschrikkelijk! Daar zaten we dan en keken elkaar in totale verbijstering aan. De beste spelers van de wereld. Mannen die hun leven volkomen hadden gewijd aan het spel der spelen! Alles, alles, alles was voorbij! Toernooien, matches… Alles! Simultaans, publicaties, over openingen, midden- en eindspel. Zinloos geworden! Het schaken was opgelost. Ongeacht wat zwart ook speelt is het mat in 12!.”

Op dat moment interrumpeert Capablanca’s vriend hem en zegt: ”Wacht eens even, ik heb hierover nog nooit iets gehoord! Ik verlies nooit in 12 zetten! Wat is er dan gebeurd?” Capablanca keek hem even aan en antwoordde met een vergenoegde, brede glimlach op het gelaat: “Wat dacht je ... we hebben die man natuurlijk vermoord.”

Bewerking: Willem D. Platje 2015 ©

Raoul Capablanca
Emanuel Lasker
Alexander Aljechin

Het bericht <center>Mat in 12 verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/mat-in-12/feed/ 0 1263
Kar-Trek https://www.willemplatje.nl/kar-trek/ https://www.willemplatje.nl/kar-trek/#respond Thu, 08 Dec 2016 14:01:53 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1243 Om de een of andere reden vind ik het altijd vervelend als ik mensen ophoud of in de weg sta. Het zal mijn opvoeding wel zijn die ervoor heeft gezorgd dat ik me er altijd rekenschap van geef of ik misschien iemand hinder. Dat mocht ik vroeger niet van het ouderlijk gezag en tegenwoordig is […]

Het bericht <center>Kar-Trek verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

Om de een of andere reden vind ik het altijd vervelend als ik mensen ophoud of in de weg sta. Het zal mijn opvoeding wel zijn die ervoor heeft gezorgd dat ik me er altijd rekenschap van geef of ik misschien iemand hinder.

Dat mocht ik vroeger niet van het ouderlijk gezag en tegenwoordig is het een innerlijk gebod. Eigenlijk is het vanzelfsprekend een ander niet nodeloos te hinderen en dat doe ik als het ook maar enigszins mogelijk is dan ook niet. Van mijn medemens verwacht ik eigenlijk hetzelfde en dat is nu net wat ik eigenlijk niet moet doen. Ik neem aan, dat niemand het expres doet, maar toch ergert het me mateloos als ik gehinderd wordt door mensen, die in de weg staan en niet uit zichzelf even ruimte maken. Zelfs als ze niet in de gaten hebben dat ze me hinderen voel ik tot mijn schaamte van die kleine stroomstootjes in mijn buik. Van die kleine opstijgende irritatieprikkels, die zich rond mijn middenrif verzamelen om daar tot golfjes ongeduld uit te groeien. Ik zeg met nadruk tot mijn schaamte, want waarom kan ik, terwijl ik toch doorgaans de personificatie van het engelengeduld zelve ben, nu niet gewoon even wachten?

Wanneer ik de momenten dat het gebeurt eens rustig op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie, dat het me het vaakst overkomt in de supermarkt. Boodschappen doe ik altijd op zo efficiënt mogelijke wijze. Simpelweg omdat het niet tot mijn favoriete bezigheden behoort. Zeg maar gerust, dat ik er een behoorlijke hekel aan heb, hoewel ik daar intern doorgaans een verwijzing naar het woord tering wel op zijn plaats acht. Ik probeer me dus zo kort mogelijk op te houden in de gangpaden tussen de schappen en volg altijd de kortste route langs het boodschappenlijstje in mijn hoofd.

Nu kan men in de supermarkt twee soorten Medemens onderscheiden. Zo zijn er de duwers, degenen die het boodschappenwagentje voor zich uit duwen – die zijn gelukkig het talrijkst – en er zijn de trekkers. Die laatsten trekken het karretje achter zich aan. En het zijn nu juist de trekkers, die de meeste overlast veroorzaken. Zij kunnen namelijk nooit goed zien hoe het met de koers van het boodschappenkarretje achter zich gesteld is. Niet alleen staat het karretje van de trekker – het zijn overigens meestal treksters – dan dwars in het toch al niet ruim bemeten gangpad en staat Medemens in diep gepeins verzonken over het dilemma: wokkels of geen wokkels en indien wel wokkels welke dan, maar soms wordt ter oplossing van de besluiteloosheid het gecompliceerde vraagstuk ook nog eens via het mobieltje voorgelegd aan het thuisfront, waar blijkens de voortgang van het gesprek nog een Naaste in opperste verwarring tekortschiet om opheldering te verschaffen in een zo netelige kwestie.

Ogenschijnlijk kalm wacht ik dan het einde van dubio en tweestrijd af tot Medemens uiteindelijk zelf in de gaten heeft, dat er iemand door wil en soms, als dat erg lang duurt, maak ik een zacht schrapend keelgeluidje, waarna meestal de weg onder een gemompeld “Sorry” wordt vrijgemaakt en ik met een vriendelijk knikje en, in geval van vrouwelijk Medemens met mijn liefste glimlach, mijn voorgenomen traject verder afleg om er na de bocht naar de volgende productengalerij achter te komen dat daar maar liefst twee stuks vrouwelijk Medemens, behorend tot het gilde der trekkers, de doorgang barricaderen tijdens het voeren van een geanimeerd gesprek over de voordelen van het gebruik van luierbroekjes van een gerenommeerde producent boven die van het goedkopere huismerk.

Inwendig loopt mijn temperatuur als gevolg van het toegenomen aantal ampères op en vouw ik in gedachten beide dames gewelddadig op in hun winkelwagentjes, maar ik houd me in. Niet alleen, omdat het me een kansloos vooruitzicht lijkt om voor de rechter geloofwaardig uit te leggen, dat in dit specifieke geval het gebruik van enig gepast geweld alleszins te verdedigen is, maar ook omdat ik weet dat het ergste nog moet komen.

Opkomende zenuwtrekjes onderdrukkend arriveer ik dan bij de kassa en of het nu toeval is of mijn lotsbestemming, ik schijn het altijd zo te moeten treffen, dat er een trekker zijn volle boodschappenwagentje op de lopende band staat te legen. Nog is er niets aan de hand, hoewel ik aan de volkomen ongeordende manier waarop de aankopen op de band worden gelegd al kan zien, dat het weer een lange wacht gaat worden. Maar als dan eindelijk het balkje, dat de boodschappen van Medemens moet scheiden van de mijne wordt neergelegd, staat daar het karretje naast de band en staat Medemens ervoor bij de pin-automaat. Ik kan er dus niet bij om mijn goederen op de band te leggen! Dat verdomde wagentje van Medemens staat in de weg. Ik begin met een hoofd vol duisterwoorden toch maar mijn boodschappen zo goed en zo kwaad als het gaat op de band te leggen, terwijl ondertussen aan het verzamelpunt aan het eind van het kassa Medemens staat te wachten tot de spullen, die onderin de tas moeten worden gestald door de caissière over de piepplaat worden gehaald. Want natuurlijk komen juist die spullen als laatste. Geluidloos schreeuw ik: “Leg toch verdomme eerst de onbreekbare, de stevige verpakkingen, die onderin je tas moeten op de band, dan hoef je niet te wachten totdat je de eieren, je chips en die saucijzenbroodjes, die je nu eerst in die vollopende chaos terzijde moet schuiven, bovenop in je tas kunt leggen”!

Als ze zo staan te tobben-zonder-het-zelf-te-weten geef ik ondertussen met mijn kar gemene, zachte duwtjes tegen de kar voor me, zodat die, als er moet worden afgerekend, medemens in de weg staat en de mijne eerst weer wat naar achteren moet om plaats te maken. Maar ook dan dringt niet tot ze door, dat het hun handelswijze is, die oorzaak is van de ontstane chaos. Achter de kassa is immers een zee van ruimte, waar een beetje duwer zijn kar logischerwijze plaatst. Ruim voldoende om een ongestoorde gestage stroom van goederen af te handelen.

Buiten en tot rust gekomen bedenk ik dan, dat het maar goed is dat niemand iets heeft gemerkt van het toneelstuk, dat zich in mijn hoofd heeft afgespeeld en tevreden loop ik naar de auto, terwijl ik onderweg van een paar meter afstand nonchalant de verfrommelde kassabon in een prullenbak mik.

Willem Platje © 2016

Het bericht <center>Kar-Trek verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/kar-trek/feed/ 0 1243
Jaap https://www.willemplatje.nl/jaap/ https://www.willemplatje.nl/jaap/#respond Tue, 06 Dec 2016 15:23:21 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1220 "Men kan beter sneuvelen dan sterven van angst" (R. S. Surtees) “Goddelijk” is het woord dat zich in mijn gedachten dringt. Vannacht heb ik op de BBC een uitzending gevolgd over tijd en lichtsnelheid. Het ging over van ons wegvluchtende sterrenstelsels in een uitdijend heelal. Over quantummechanica en roodverschuiving in het sterrenspectrum door het Dopplereffect. […]

Het bericht <center>Jaap verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
Jaap Mol

"Men kan beter sneuvelen dan sterven van angst" (R. S. Surtees)

“Goddelijk” is het woord dat zich in mijn gedachten dringt. Vannacht heb ik op de BBC een uitzending gevolgd over tijd en lichtsnelheid. Het ging over van ons wegvluchtende sterrenstelsels in een uitdijend heelal.

Over quantummechanica en roodverschuiving in het sterrenspectrum door het Dopplereffect. Over zwarte gaten, Venus en Mars, Einstein, relativiteitstheorie, Hubble en de paradox van de tweeling. Mijn brein capituleert, geteisterd, uiteindelijk om half zes als onze Ster zachtjes de kim kriebelt en uitbundig wordt verwelkomt door de meesjes…Uitgeput spoel ik mijn glas en ga snel naar bed… Rust…!Gedroomd van heldendom op het schaakbord en lieve vriendinnetjes. Aangekomen in het land tussen droom en daad dringen herinneringen aan mijn schooltijd zich op. De lessen Nederlands, biologie en natuur- en scheikunde vond ik geweldig. De gezichten van misschien al niet eens meer levende leraren zie ik in deze lucide droom glashelder voor me. Beelden van klaslokalen, echo’s van langvergeten stemmen. Ze leven dus toch nog, zelfs al zijn ze er niet meer. Biologieles in het veld was, naast sterrenkunde en muziek, altijd één van mijn favorieten…

Met zijn enigszins lispelende stem wijst meneer Caspers ons op de Chrysopa, de gaasvlieg, een tot de netvleugeligen behorend insect met gaasachtige groene vleugels. Zojuist neergestreken op een Smeerwortel. Ik noteer braaf “Symphytum Officinale” naast het plaatje in mijn Flora. Een ruwbladige plant met hangende paarse, witte of rode bloemen. Dom van me. Onder het plaatje stond die naam er immers al. Roken tijdens de buitenles werd oogluikend toegestaan en ik houd een brandende sigaret tegen de violette kelkjes van één van de bloemetjes en zie hoe de rand prachtig gifgroen verkleurt...

Langzaam ontdoe ik me van de droom en zie tot mijn genoegen dat droom en werkelijkheid toch niet zo heel ver van elkaar liggen. Een prachtig lichtgroen vliesvleugeltje, dat al vliegend zacht-tikkende geluidjes tegen het zachtboard-plafond maakt vindt even een rustplaats en blijft ondersteboven zitten. Dan vliegt ze (is het een Hij?) in golvende vlucht onhoorbaar door mijn slaapkamer. “Hoe ben jij hier binnen gekomen”, vraag ik me af en besluit nog heel even te blijven liggen. Ik draai me genoeglijk om, maar kan de slaap niet echt meer vatten.

“Is mijn brein te klein? Bevat het simpelweg niet voldoende neuronen om de kosmos volgens Stephen Hawking te bevatten? Ik ben geen Albert Einstein, geen Isaac Newton, geen Michael Tal.

“To Hell with it“, denk ik en draai me nog maar eens tevreden om, slechts om in het verwachtingsvolle gelaat van Fonsje te kijken. Hij knijpt zijn ogen even dicht en geeft me spinnend een kopje. Luid zuchtend ga ik krakend het bed uit, wankel naar de badkamer en doe mijn ochtendplas. “Gelukkig in de juiste volgorde”, denk ik triomfantelijk en bijna struikelend over de kat stop ik mijn kop onder de koude kraan. Hoewel opgefrist en klaar wakker laat het verleden me toch niet met rust. Verdomme! Dit is weer zo’n morgen. Mijn geheugen belaagt me weer eens met onontkoombare herinneringen. Ik wil het niet. Ik wil naar voren denken, maar ik ben kansloos. Uit een sinds lang verborgen bron welt spontaan een dichtregel op:

“De wereld van de vroege morgen breidt zich voor mijn geroerde ogen uit. Aan hoge daken kleven dauwe regendruppels, die zich...”

Ineens weer zestien, zie ik de hoge bedauwde daken van de huizen aan de Groenmarkt. Ik spijbel weer eens van school. Om het thuis niet op te laten vallen ben ik gewoon van huis vertrokken om kwart voor acht. Om acht uur al kun je bij Visser terecht voor een kop koffie. Je kunt er de krant lezen en wachten op lotgenoten. Iets te vroeg wandel ik over het Scheffersplein. We zijn allemaal slachtoffer van de hormonale chaos die over ons jeugdige lichaam en geest is gaan heersen. De school kan me gestolen worden. Ik ga niet meer! Het heeft allemaal geen zin! Wat kan mij het schelen hoe je in de mechanica de resultante van vectoren bij op elkaar inwerkende krachten berekent? Het interesseert me niet of een chemisch element één- of tweewaardig is in een scheikundige reactie en dat er maar één wederkerig voornaamwoord in het Nederlands bestaat doet me al helemaal niets. Ik ben een dichter met passie, een wetenschapper met een missie, maar helaas ook een evangelist zonder boodschap.

De deur leunt open tegen een emmer sop van de werkster. Ze ontdoet de tegelvloer van het achtergelaten schoenenvuil en de peukjes van de gasten van de vorige dag. Haar armen zijn rood en besprenkeld met piepkleine witte heuveltjes kippenvel, waaruit kleine blonde haartjes het licht beantwoorden. Ik huiver van de kou en ga snel de warmte in. Hangend op mijn plek aan de linkerkant van de bar bestel ik een koffie...

Teruggekeerd in het heden schud ik woest de druppels uit mijn haar om ze vervolgens met de handdoek van de spiegel te vegen. “Verkeerde volgorde”, denk ik verslagen. “Doe normaal”, bijt ik mezelf geërgerd toe. “Wat geweest is, is geweest!” Ik ontkom echter nog steeds niet aan het verleden. Na al die jaren neig ik nog steeds naar dezelfde hangplek, die ik tot ongenoegen van alle dynastieën van eigenaren van Visser altijd inneem als ik er ben. Links voor de bar, het bovenlichaam lichtjes achterover over de toog leunend en altijd, tot grote ergernis van de baas, in de weg staand van het bedienend personeel. Ik moet even glimlachen. Mijn spijbelcafé, mijn hangcafé, maar ook mijn schaakcafé. Of moet ik in plaats van het woord café het woord “salon” bezigen? “Visser’s Poffertjessalon” is tenslotte een begrip in Dordrecht.

Jaap en Frans namen de salon al lang geleden over en maakten er een bloeiende zaak van. De zaterdagmiddagen zijn nog steeds fameus. Jong en oud mengen er zich zonder problemen. Er wordt gedronken, iedereen praat met elkaar en wie je bent of wat je in het immer weerbarstige leven hebt bereikt of net niet…het maakt niet uit en op dinsdagavonden is de kroeg het vaste domein van “De Willige Dame”. De enige echte schaaksociëteit die Nederland rijk is, teruggrijpend op de rokerige schaakcafé’s zoals die aan het eind van de negentiende eeuw in Parijs, Londen en Berlijn bestonden.

Jaap verschaft de sociëteit nog immer onderdak in zijn etablissement en is zelf een fervent schaker. Een zeer sterke speler, die meermaals kampioen van de club geworden is. Ooit student aan de Technische Hogeschool in Delft – hij stond er zelfs acht jaren ingeschreven – stellen de aan zijn bètabrein ontspruitende hersengolven zijn tegenstander vaak voor schier onoverkomelijke problemen. Ik heb het zelf helaas vaak genoeg aan den psyche mogen ervaren. Als ik weer eens door één van zijn uitgedeelde knock-outs van het bord geveegd was, besloot ik steevast het schaken er maar helemaal aan te geven en me te beperken tot het oplossen van het dagelijkse schaakpuzzeltje voor beginners in het Algemeen Dagblad. Die droeve gemoedstoestand duurde dan gelukkig maar een paar uren.

Er zijn van die mensen, waar je geen vat op krijgt. Ik zeg het niet juist: Er zijn mensen, waar je op de één of andere manier niet zo gemakkelijk mee kunt spreken, zonder het gevoel te hebben, dat je zo meteen iets stoms zult gaan zeggen. Wat je ook doet en wat je ook zegt, het pakt altijd verkeerd uit. Je wordt altijd verkeerd begrepen en je krijgt dan een antwoord waar je zelf onvermijdelijk het antwoord op schuldig blijft. Hoe goed je het ook bedoelt… Jaap is er, althans voor mij, zo eentje.

Het wordt na elke voorbije competitie wel weer eens de tweede dinsdagavond in september. Voor de eerste ronde wordt er dan geloot. Mijn grootste vrees werd maar weer eens bewaarheid. Ik had nog zo geprobeerd die ijselijke gedachte uit mijn geest te bannen. Zo getracht het mogelijke onheil uit mijn geest te verdrijven. Als je er maar aan denkt, gebeurt het ook. Niet denken dus! Niet, niet aan denken! Het hielp niets. Ik lootte het noodlot: Jaap. En dat dan ook nog eens met zwart. Kop op! Wees een vent. Met opgeheven hoofd naar het schavot! De strop of de gladiolen! En dus zette ik na vijf achtereenvolgende smadelijke nederlagen dapper het zwarte paard op f6 om in een Tweepaardenspel hoog spel te spelen. Kom op! Concentreren! Vasthouden! …Maar gedachten dwalen. Je geest is slechts in schijn van jou en laat zich, wat je ook doet om het tegen te gaan, niet dwingen. Al die zendertjes in je hersenen reageren op gevoelens, op ogen, op oren en maken beelden, bouwen luchtkastelen vol ideeën en brengen je vaak juist daar waar je niet wenst te zijn. Naar een ervaring van een paar jaren geleden…

Ik heb vanavond bardienst. Zenuwachtig. Verdomme. Waarom zo nerveus? Waar staat alles? Wat zijn de prijzen? Hoe schrijf ik het op de juiste wijze op? Hoe doe ik het zo goed mogelijk? Geen fouten maken, die me op een sneer van Jaap komen te staan. Hij bedoelt het niet zo kwaad. Ik weet het wel. Toch voel ik me ongemakkelijk. Een net aangenomen werknemer onder het alziend oog van de meester. Maak je geen zorgen Willem. Waarom zou je? Niets aan de hand! Stom koffieapparaat. Gelukkig..., ik hoef alleen maar in te schenken. Er zit geen kraantje aan het apparaat. Wel een soort klepje, dat je naar beneden moet duwen. Kalmte! Rustig blijven… Klepje behoedzaam open…

Jaap speelt een paard naar c4. Mijn innerlijk alarm gaat af. Dat is toch niet zoals het hoort? Vast niet de beste zet! Moet toch naar d4 of f4 hier? Koortsachtig zoek ik eerst in mijn geheugen, maar ik vind niets en besluit de stelling eens aandachtig aan een gedegen onderzoek te onderwerpen.

Ik laat het kopje vollopen en doe op het juiste moment voorzichtig het klepje dicht. Kalm aan Willem… Voorzichtig. Niets kapotmaken… En dan…SHIT!!! Het stopt niet! Het blijft doorlopen! De rand nadert de koffie. De koffie walst lang het kopje op de bar en vormt een gestaag uitdijende dampende plas. Mijn blaas vertoont bijna soortgelijke verschijnselen en dan doe ik waar ik het beste in ben. Geen paniek. Handelen! Ik stop resoluut mijn linker wijsvinger in het tuitje waar de gloeiendhete koffie uitstroomt en schreeuw “Jaaap!”.

Ik sla het paard. Jaap neemt terug. Ik blijf kalm en na wederzijdse rokades besluit ik tot een loperoffer op h2. Ik strek mijn arm uit en doe een zet, om er vervolgens tot mijn stomme verbazing achter te komen, dat de hand mijn dame op c7 zet. Vol ongeloof wrijf ik in mijn ogen. Geen paniek. Handelen! Ik sta zeker niet slechter en heb het initiatief. Naar voren met die pionnen. Trompetgeschal in mijn oren. Naar h5, naar f5, naar h4, naar g5. Niet versagen. Kom op! Concentreren! Vasthouden! …

Jaap komt aangestormd. Hij slaat met een katachtig snelle beweging het klepje naar beneden en dan in vrijwel dezelfde vloeiende beweging weer omhoog. Ik trek snel mijn wijsvinger terug en pak vlug mijn oorlel vast, want dat haalt de hitte er sneller uit. De koffie is bijna honderd graden tenslotte. “Wat doe je nou?! Je verbrandt je fikken! Vlug onder de kraan! Snel!” Tot Jaaps stomme verbazing glimlach ik slechts. Hij kan immers niet weten, dat jaren en jaren van gitaarspelen de toppen van mijn linkerhand voorzien hebben van een forse laag volkomen ongevoelig eelt...

Ik ruil mijn paard en een pion voor een toren. Ik heb minstens remise. Bang als ik ben voor een zesde deceptie op rij hoor ik mezelf remise aanbieden. “Ja…. Ja…. Ach… Ik had de loper moeten zetten… Ik wist het, maar ik zette het paard. Stom van me. Begrijp het niet. Als ik dat gedaan had, was er niets aan de hand geweest.” antwoordt Jaap en schudt me – toch wat teleurgesteld of verbeeld ik het me? – de hand.

Mijn klein heelal dijdt in m’n gedachten uit. Een gaasvliegje landt op het hoofd van Einstein. Eéndagsvlieg? Mars ben ik. Jupiter! Deze komeet heeft weer een ronde langs de Ster overleefd. Ik berg met heel tevreden vuurvaste vingers de stukken op in de doos. Dan schuif ik één van de vele laden in mijn geheugen resoluut dicht en schiet in de lach als ik het etiket op de voorkant zie...

© Willem Platje december 2009

Het bericht <center>Jaap verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/jaap/feed/ 0 1220
Dick https://www.willemplatje.nl/dick/ https://www.willemplatje.nl/dick/#respond Tue, 06 Dec 2016 14:08:54 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1211 "Geen leed is voor de levenden te ontvlieden Maar in één aarde eindigt alle pijn Waar de verradenen en die verrieden Verenigd in de slaap der eeuwen zijn." (J.C. Bloem) Op het kleuterpleintje achter de school, waar de kleinsten rustig kunnen spelen was hij die woensdagmiddag gesnapt. Als laatste had hij dralend de school verlaten […]

Het bericht <center>Dick verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

"Geen leed is voor de levenden te ontvlieden
Maar in één aarde eindigt alle pijn
Waar de verradenen en die verrieden
Verenigd in de slaap der eeuwen zijn."
(J.C. Bloem)

Op het kleuterpleintje achter de school, waar de kleinsten rustig kunnen spelen was hij die woensdagmiddag gesnapt. Als laatste had hij dralend de school verlaten en de meester had hem met zachte hand naar de deur geloodst. “Het zijn geen waterplantjes hoor”, had hij als antwoord op zijn vraag gekregen. “Je hebt ze gisteren al water gegeven, was je dat alweer vergeten?”

Hij had gehoopt ze te kunnen ontlopen door over het hekje te klimmen en via het kleine plein naar huis te gaan, maar ze hadden hem doorgehad. Ineens was hij omsingeld. Machteloos balde hij zijn vuistjes, maar hij durfde niets te zeggen. Willoos liet hij zich van de ene kwelgeest naar de andere duwen, maar hij durfde niets te doen. Het treiterend gejoel, “Stomkop, scheitezel!”, verdoofde zijn kleine brein. Niets begreep hij ervan, niets. Waarom moesten ze hem altijd hebben? Omdat hij niet mee kon komen in de klas? De tranen biggelden langs zijn wangen. Was hij maar groter … sterker.

Een enorm gebrul drong zijn oren binnen en hij kromp nog verder ineen. Nu zouden de klappen komen. Hij zette zich schrap…Maar de klappen kwamen niet. Door de natte mist in zijn samengeknepen ogen heen zag hij er twee als door een mokerslag een meter achteruit vliegen. Van de andere twee zag hij vaag hoe hun voeten zich razend rennend verwijderden. Nog een oerkreet en toen werd het stil. Hij voelde een hand op zijn kleine schouders en een andere hand streek over de tranen op zijn wangen en toen door zijn haar. Bevend over zijn hele lijf draaide hij voorzichtig zijn hoofd omhoog en keek in het woedendrood vertrokken gezicht van zijn broer Dick…

Ik kwam hem na het sluiten van mijn stamkroeg in de catacomben onder de kunstenaarssociëteit tegen. Die nacht stak ik in blakende vorm. Een gevulde blauwe blazer stond aan de bar te oreren, dat er op de wereld geen grotere proleet was dan hij. Zijn gehoor bestond uit vier extra ballen, die bij zijn gebral voortdurend hun instemming betuigden en vooral op zijn beurs meezopen. Even later noemde hij zichzelf vol zelfovertuiging een groot Ariër, waarop ik duidelijk en met opzet iets te geforceerd in de lach schoot. “Waar moet je zo om hinniken kaerel”?, affecteerde hij. “Wel”, antwoordde ik fijntjes, “Als je zowel proleet als Ariër bent, dan rest mij slechts de conclusie dat je gewoon een proletariër bent, niet?” De zelfvoldane uitdrukking op zijn gezicht veranderde op slag. Dit betekende oorlog.

Ik zag een rossige knaap aan de andere kant van de bar grijnzend knikken van instemming. “In ieder geval één medestander”, dacht ik. Grijsbroek liet mijn plagerijtje niet over zijn kant gaan en probeerde, voortdurend denigrerende opmerkingen aan mijn adres makend, me neer te zetten als een dubbeltje uit de laagste maatschappelijke klassen. Een rooie, zonder beschaving of cultuur en vanzelfsprekend ongeletterd. Ik schikte me in het onvermijdelijke, dat ik zelf had uitgelokt. Na nog een aantal glazen wijn met een begeleidend gymnasiaal “Ad fundum” en “In vine veritas” achterover gekieperd te hebben keek hij me uitdagend met toegeknepen rode oogjes aan en vroeg: “Zeg kaerel, heb jij nog iets interessants gelezen de laatste tijd behalve dan die Playboy of de VI waar jouw soort zo vaerzot op is? Ghè, ghè ghè, bierdrinkertje?” Ik veinsde aarzeling. “Ik eehhh ben net klaar met ‘Das Kapital’ van Karl May meneer”, hakkelde ik quasi hulpeloos. De naderende triomf blies zijn borstkas en zijn vurige wangen op toen hij me toebeet: “Das Kapital? …, Das Kapital kaerel…. Da’s nie van Karl May! Da’s verdemme nog aen toe van Karl Marx!” Met intens genoegen liet ik de val dichtklappen en zette hem mat in één met een droog: “Ach, jaah natuuurlijk, ik vond ook al dat er zo verdomd weinig indianen in voorkwamen …”

“Dick”, stelde hij zich met een nauwelijks verholen grijns voor. “Willem”, zei ik. “Je had hem mooi te pakken, Willem.” “Dank je, Dick.” Zonder overbodige woorden op slag twee samenzweerders in humor en taal.

Aan de oppervlakte scheen hij iemand waarmee “je kon lachen”. Dick voelde zich ogenschijnlijk echter niet belemmerd door de indruk, die hij maakte. Hij schreef kolderieke teksten voor zijn cabaretgroep “Dramacabaretirade” en die naam alleen al verried zijn passie voor taal, die ik met hem deelde. In 1978 stond hij met veel succes op het podium bij het befaamde Camerettenfestival in Delft. Veel talent is daar de weg naar het succes ingeslagen. Veel talent haalde het later ook niet. Na lang aandringen kreeg hij me zover, dat ook ik eens een tekst en muziek zou schrijven voor zijn cabaret. Het werd de “Tango Consulado”. Een lied over de moordaanslagen op ambassadeurs, consuls en andere leden van het Corps Diplomatique door terroristen van de ETA, de IRA en de Rote Armee Fraktion, die ons ook in die tijd regelmatig vanuit de krantenkoppen toeschreeuwden. Vol vuur en onderbroken door daverende lachsalvo’s, getooid met ceremoniële steek en oranje sjerp zong Dick bij de repetities dit nog immer actuele lied:

“Want neem nou Theo in Montevideo
die etters legden in zijn kofferbak een bom
’t gebeurde meermaals over de hele wereld
en vele vrienden van het Corps kwamen zo om…”

Ook Ed in Bled, Thijs in Parijs, Rein in Berlijn en Willem-Jan in Teheran legden in het lied allen op gruwelijke wijze het loodje.

Wij konden het spelen met taal niet laten. Hij verzon zinnen, waarin zoveel spellingsaddertjes het gras bevolkten, dat je een ster was als je onder de tien fouten bleef. Ik herinner me er (gedeeltelijk) eentje waarin een “…adellijke douairière, die (…) in laadjes (laatjes) met gouden handvatten bewaarde, althans (…) nochtans gevonnist werd door middel van rattenkruit …” Veel later zou Dick in de stoel van de televisiequiz “Lotto Weekend Miljonairs”, inmiddels corrector van beroep, aangeven dat zelfs de spelling van de tekst in het “Groot Dictee der Nederlandse Taal” verre van foutloos is.

Onze manier van taalgebruik onderscheidt ons van de dieren en dus limerickte Dick:

Een neusarts kreeg te Neerlangbroek
Een boze neushoorn op bezoek
Wiens neus volkomen was verstopt.
Maar, zo sprak het dier beknopt,
dat is op zich niet zo’n bezwaar,
Als ik maar wist door wie… en waar.

Zoals de meeste echte humoristen zwaarmoedig van aard zijn, was ook Dick soms somber. Heel gevoelig en kwetsbaar ook. Als ik eens in een onbewaakt ogenblik naar zijn koppie keek en vroeg wat er aan de hand was ontweek hij mijn blik met: “Niks, ik zweet gewoon een beetje uit mijn ogen.” Ik zweeg dan, maar zag een verdrietige grote broer, die voor zijn geestelijk minder bedeelde broertje opkwam.

Uitersten echter werden vol vuur en passie opgezocht en vooral datgene dat zo op het oog vanzelfsprekend was moest ontleed, beoordeeld, overdacht en genadeloos blootgelegd worden. “Ïedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen”, was zo’n voor-zoete-koek-aanname en dus correspondeerde hij oeverloos en vol leedvermaak met het Ministerie van Binnenlandse Zaken om toch maar vooral te weten te komen waar hij die Wet dan wel kon aanschaffen om zijn burgerplicht te vervullen. Hij kreeg antwoord, maar een echt antwoord bleef tot zijn genoegen uit.

Ongefundeerde zelfingenomenheid kon hij niet uitstaan. Je spant je tot het uiterste in, maar je blijft bescheiden. Je mag op grond van wat je hebt verworven best kritiek hebben, want dat steunt dan tenminste op een stevige ondergrond. Dick gaf zich op voor een spelshow op televisie, waarin Ted “Snor” de Braak de quizmaster was. Dick vond hem een arrogante kwast en bleef hem tijdens de opname dan ook met gespeelde domheid consequent “Meneer Ed de Braak” noemen tot de arme quizmaster bijna ontplofte van louter ergernis.

Ik heb zijn idee dat het eigenlijk belachelijk is om een kruisje te zetten bij elke tien jaren of je vijfentwintigste of vijftigste levensjaar te vieren omarmd. Veelvouden van vijf en tien lijken logisch, maar hoe zouden we rekenen als we vier vingers aan elk van onze drie handen zouden hebben gehad? Mijn drieënvijftigste verjaardag werd dus een priemgetallend goed feest, maar Dick nodigde gasten voor een zomaarparty uit om pas tegen het einde te onthullen, dat het ter ere van zijn miljardste seconde was.

Groothoofd werd opgericht en Dick verzorgde de notulen bij de oprichtingsvergadering van die nieuwe Dordtse schaakvereniging. Aan de Steegoversloot schalde het “TotoLotto” van Dick op iedere speelavond. Hij kwam aan je schaakbord en je was verplicht een formuliertje in te vullen. Hij plakte dan een zegeltje, scheurde het origineel van de kopie, inde het bedrag, waarvan een deel voor de clubkas bestemd was, en totolotto-de naar het volgende tafeltje.

De loting wees uit, dat we elkaar die avond aan het bord zouden treffen. Ik merkte aan alles, dat hij het absoluut verafschuwde. Hij was helemaal in het schaken, correspondeerde schaak over de hele wereld en vond het volgens mij maar niks, dat de warme wereld van zijn schaakfantasie nu moest worden verlaten voor de koude realiteit aan het bord. Het wedstrijdformulier bewaar ik met begrijpende gevoelens nu ik het na lang zoeken heb teruggevonden. Ik noteerde destijds om de tien zetten de verbruikte bedenktijd en ik zie nu, dat het afbreken van die partij door hem geregisseerd werd. Ik moest de zet afgeven en stond straal gewonnen. Dick had vanaf het begin van de Spaanse partij achter de feiten aangelopen en zou eigenlijk moeten opgeven. Hij deed het niet en dus ging mijn zet onder couvert en voorzien van beider handtekeningen in bewaring bij de competitieleider. Pas weken later en na enig aandringen zei Dick: “Welke partij? Ooh, die? Die had ik toch al opgegeven”?

Ik neem het hem niet kwalijk. We leven allemaal met dromen, sprookjes, mythen. Soms zetten we de realiteit naar onze hand. Vaak hebben we het Verlangen nodig om staande te blijven.

Dick verdween uit mijn leven zoals hij gekomen was. Plotseling. Ik vernam, dat hij naar de Filipijnen was gereisd om daar kennis te maken met een meisje, dat hij had leren kennen via het internet. Typisch Dick. Je gaat voor honderd procent en niets minder. Al is het naar de andere kant van de wereld. Ik heb ze nog eenmaal vluchtig ontmoet in V&D in Dordrecht. Veel meer dan groeten en een onwennig gesprekje was het niet. Later vernam ik, dat hij ergens in het Groene Hart zou wonen en tot mijn verbazing inmiddels vader was van twee kinderen.

En ik ondernam verder niets. Mijn weerbarstige geheugen, dat me zelden in de steek laat, hield een optie open… Later. Ik zoek nog wel eens contact… Het is te laat. Dick stierf anderhalf jaar na zijn “juniorpensioen”, zoals hij dat noemde. Nog geen zestig jaar oud. Uiteindelijk gesloopt na een gevecht in verloren stelling. Op 13 april 2009 kwam het veel te vroege einde. Echo’s in mijn kop. Spijt. En ik kan nog zoveel over hem vertellen…

...Ik beklim voor Dick uit de steile trap. Feestje! De schetterende soulmusic komt ons tegemoet. Ik hoor bijna, dat Dick iets van plan is. Die muziek zint hem niet. De mensen, die daarnaar luisteren dienen wakker te worden gemaakt. Er moet iets gebeuren. Dan valt er een kortstondige stilte als iemand een plaatje moet wisselen en is het geroezemoes van de feestgangers te horen. Een geraas als van instortende ruïnes vervult het trappenhuis. “Shit!”, “Dick is van de trap gevallen!” Geschokt buigt het meisje, dat net achter hem binnenkomt zich over hem heen. Ze doet haar mond open om hulp in te roepen. Dan richt Dick zich half op, geeft haar een stevige zoen op haar mond en fluistert haar in het oor: “Dit is de zondeval schat, zullen we samen de rest van het Boek vullen?”

...Er is eigenlijk geen moer aan op deze verjaardag tot er van buiten een apocalyptisch geluid tot ons doordringt. Iedereen is geschrokken en een plotselinge stilte dooft de geanimeerde gesprekken. Het geluid van een wegstuiterende fietsbel doet het ergste vrezen… Dan snellen de mannen al eersten naar buiten om te zien welk onheil voor de deur heeft plaatsgevonden. We vinden Dick geheel verstrengeld in een ravage van fietsen. Zijn linkerhand omklemt nog een stuur. De rechter houdt een verfomfaaid bosje bloemen in de lucht. Twee benen steken tussen de spaken van over hem heen gevallen rijwielen heen. Zijn gelaatsuitdrukking verraadt gemaakt ongeloof. We bevrijden hem met grote moeite uit zijn benarde veste. Met zorgelijke behoedzaamheid ondersteunen we hem tot in de gemakkelijkste stoel. Zorgzame meisjes schikken liefdevol wat zachte kussentjes in zijn rug. Als hij met een glaasje wijn voor de schrik, genoeglijk onderuit gezakt alle aandacht naar zich heeft toegetrokken maakt zijn rechterhand een V-teken als hij de verzamelde feestgangers toelacht: “En... Hoe vonden jullie mijn entree?”

Dick de Jong 15 juni 1949 – 13 april 2009. Deze bedroefde herinnering, opgeschreven voor een langvergeten vriend ontworstelt hem aan de vergetelheid zolang ze wordt gelezen. Een lach welt op in mijn binnenste als ik hem, alsof het gisteren was, een nieuwe cabarettekst hoor uitproberen: ”Blauw-Beige, Blauw-Beige de kleur van haar sprei, ze spreidde haar benen en ik was er bij… Deze kaars brandde en verspreidde veel licht. De rook kringelt na het doven nog even omhoog… Hij leeft voort in zijn kinderen en daar ben ik oprecht blij om...

© Willem Platje april 2009

Het bericht <center>Dick verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/dick/feed/ 0 1211
Willem https://www.willemplatje.nl/willem/ https://www.willemplatje.nl/willem/#respond Tue, 06 Dec 2016 13:26:22 +0000 http://willemplatje.nl/?p=1202 "In iedere echte man is een kind verborgen, dat wil spelen" (Friedrich Nietzsche) December 1957. Eindelijk: Kerstmis! Het lange wachten is voorbij. Mijn vader schudt de kolenkit leeg op het vuur dat hij met aanmaakhoutjes en kranten in de haard ontstoken heeft. Blauwe vlammetjes met gele kopjes beginnen begerig aan het anthraciet te likken achter […]

Het bericht <center>Willem verscheen eerst op Wim Platje.

]]>

"In iedere echte man is een kind verborgen, dat wil spelen" (Friedrich Nietzsche)

December 1957. Eindelijk: Kerstmis! Het lange wachten is voorbij. Mijn vader schudt de kolenkit leeg op het vuur dat hij met aanmaakhoutjes en kranten in de haard ontstoken heeft. Blauwe vlammetjes met gele kopjes beginnen begerig aan het anthraciet te likken achter mica ruitjes.

Gefascineerd kijk ik toe en voel de warmte op mijn huid. Plechtig doet hij het electrisch licht uit. Winterdonker neemt bezit van de woonkamer. Dan strijkt hij een lucifer aan en raakt er de kaarsjes in de kerstboom mee aan. Ze antwoorden met licht. Flonkerend weerkaatsen druipende kaarsjes hun licht in de zilveren bolletjes, die mijn moeder en ik devoot in een naar bos geurend sparretje hebben gehangen. Als je goed luistert, dan kun je de zinderende kaarsenvlammetjes horen fluisteren. Als je goed kijkt zie je miljoenen vonkjes hun vrolijk licht in het rond spetteren en als je dan je vingers in je oren duwt, je ogen stevig dicht knijpt en goed ruikt, dan waan je je in een dennenbos.

Ik kan me niet bedwingen. Ik moet het zilveren belletje aantikken. De kristallen klank klinkt in mijn verbeelding als een kerkklok. Het kerstvogeltje met het kleine rode snaveltje dat ik dit jaar heb mogen uitkiezen zet ik wat steviger op zijn tak. Mijn moeder pakt haar gitaar en begint te zingen: ”Stille nacht, heilige nacht” en ik zing mee. Ik ben al zes en ken natuurlijk de woorden: “Stillige nacht, heilige nacht …”. Mijn broertje is pas twee en slaapt als het kerstkind. Maar wat gaat het snel voorbij… Het had zoveel langer mogen duren. Bedtijd. Als ik mijn pyjama aan heb kus ik mijn vader welterusten. Hij heeft weer eens dat mysteriespel op het bord gezet en kijkt naar voor mij onbegrijpelijke letters en cijfers in de krant. Hij verzet een houten paardje.

December 1973. Kerstfeest! In mijn klas heb ik een mooi sparretje samen met mijn leerlingen opgetuigd. Opgetogen hebben ze van thuis elk een kleine kerstversiering meegenomen. Als beginnend onderwijzer ga ik mijn eerste kerstviering tegemoet. Niemand heeft me ooit verteld hoe je zoiets met die kleintjes van klas drie moet doen. Gelukkig zit er een klein zilveren vogeltje op een tak en er hangt ook een klein zilveren klokje. Ik verduister het lokaal en ontsteek voor elk van mijn leerlingen het kaarsje dat ze bij zich hebben. Ze slepen me er enthousiast doorheen. Samen hebben ze buiten mijn medeweten een prachtig programma samengesteld: “Het meisje met de zwavelstokjes” wordt afgewisseld met een vertelling uit de Bijbel over de gebeurtenissen in Betlehem. Drie kleine mannetjes, verkleed als de drie Wijzen uit het Oosten, volgen de ster en trekken op naar de stal. De rest van mijn leerlingen liggen als herdertjes en schaapjes bij nacht in het veld. Ze laten de Ster stralen! Het kerstverhaal dat ik improviseer – mijn hele leven lijkt wel één en al improvisatie – is slechts een deel van het feest, maar ik zie al die onschuldige snoetjes genieten van mijn vertelling. Als ik uit gefantaseerd ben zingen ze met glinsterende oogjes vol overgave “Stille nacht, heilige nacht” en “Gloria in Excelcis Deo”. Ik begeleid ze met de klanken van mijn gitaar en zie miljoenen sprankelende lichtjes de boom verlaten. Elk van mijn kinderen wordt verlicht. Zij zijn het licht, de hoop, kerstkinderen.

Na de warme chocolademelk en de kerstkransjes gaan ze in vrede hun welverdiende vakantie tegemoet. Stil blijf ik even zitten, omdat ik dit gelukkig moment nog even vast wil houden. Het had zoveel langer mogen duren. Zal ik? Ik aarzel. Eigenlijk wil ik het niet. Wat geweest is is immers voorbij? Toch tik ik nog even het zilveren belletje aan en mijn oren maken me een jongetje van zes. Dan onsluit ik het licht. Ik schud het verleden van me af en haal het vogeltje als eerste uit de boom. “Tot volgend jaar”, denk ik…

De boom moet naar het schoolplein. Ik plaats nog een verdwaald stoeltje op een tafel. Het demonstratiebord voor de schaaklessen zet ik op het aanrecht met het fonteintje. De schoonmakers kunnen hun gang gaan.

December 1978. Kerst. Het is voor het eerst dat er cadeautjes onder de kerstboom liggen. Sint-Nicolaas ruimde om de één of andere reden dit jaar het veld. Dit jaar dus geen surprises en gedichten, maar slechts het uitpakken van pakjes. Vorig jaar was ik er door een misverstand bij het lootjes trekken met slechts één sinterklaascadeautje nogal bekaaid vanaf gekomen. Geeft niet: “Het is beter te geven dan te ontvangen”. Mijn ouders, mijn broer en zijn vrouw, mijn vrouw en ik zitten voor een boom, die in bijna niets van echt te onderscheiden is. Ik bedenk me ineens, dat ik die geur van vroeger mis. Ook de elektrische lichtjes fonkelen niet miljoenvoudig. Ze geven eigenlijk alleen maar licht. Ik hoor het zachte ruisen van brandende kaarsen alleen nog in mijn herinnering. Het klokje hangt er echter nog steeds en het vogeltje zit parmantig op één van de bovenste takken.

Ik pak mijn eerste cadeautje uit. Aan de vorm te zien is het een pocketboekje. Ik dank de gulle kerstman voor het bezorgen van dit presentje en scheur het kleurige, met sparrenboompjes bedrukte papier er van af: “Schaakboek 5 -Topprestaties van 50 grote meesters” door H. Bouwmeester. De kerstman kent kennelijk mijn passie voor schaken. “Dank je wel Kerstman!” Ik kies het volgende presentje... Mijn vader krijgt een audiocassette met muziek van Jim Reeves en hij pakt een pakje voor mijn moeder…

Dan krijg ik na drie paar sokken zo te zien weer een boekje. Vol gespeelde verwachting pak ik het uit. Het met kerstboompjes bedrukte papier achteloos op de grote hoop gooiend lees ik voor: “Schaakboek 11 – 100 miniaturen” door H. Bouwmeester. “Dank je wel Kerstman!” Intens tevreden stel ik vast, dat niemand nog iets in de gaten heeft…De rondedans van uitdelen en uitpakken gaat voort…

Even later ben ik weer aan de beurt. Een groter cadeau. Minstens drie pockets hoog deze keer. Als een volleerd acteur dank ik Rudolf het Roodneuzig Rendier en scheur het met dennenboompjes bedrukte papier quasi benieuwd van mijn cadeautje. Mijn ogen laat ik oplichten als ik triomfantelijk achtereenvolgens “Schaakboek 10 – Openingen”, “Schaakboek 6 – Uit de toernooipraktijk” en “Schaakboek 7 – Eindspel”, alle drie van de hand van H. Bouwmeester, trots aan de familie toon.

Dan klatert de aanstekelijke lach van mijn schoonzusje door de kamer. “Hetzelfde pakpapier!” schatert ze. “Kerstboompjes!” De anderen kijken haar even onbegrijpend aan. Ik houd mijn gezicht als een volmaakt onwetende in de plooi, maar ik weet, dat ik betrapt ben. “Stom! Ik had verschillend papier moeten kopen.” Dan begint het bij de anderen ook te dagen en ze wenden hun blik naar de nog wachtende kerstcadeautjes. Ik hoef zelfs elk pakje gewikkeld in met kerstboompjes bedrukt papier niet meer uit te pakken. Nieuwsgierig ritsen ze zelf het papier los. Al gauw liggen de deeltjes één tot en met vier en ook acht en negen, alle geschreven door ene H. Bouwmeester op mijn schoot.

Succes! Ieder schiet in de lach, mijn vader en mijn broer geven me een ram op mijn schouders en op dit toneel buig ik voor het applaus, ontvang de bloemen en sluit de gordijnen. Mijn glansrol zit er op. “Schouderklopjes mag je jezelf ook wel eens uitdelen”, denk ik.

We gaan aan het avondmaal. Ik breek het brood en schenk de wijn. Onze vader voorziet ons van vis. De kat geeft het klokje een speelse tik. De vogel vlucht een takje hoger... Het had zoveel langer mogen duren… Volgend jaar weer Kerstmis.

Betlehem. בית לחם, Beit Lechem, betekent “Huis van het brood” in het Hebreeuws. بيت لحم, het Arabische Biet Lachem, betekent: ”Huis van het vlees”. In Betlehem zullen ongetwijfeld bakkers en slagers hun beroep uitgeoefend hebben. Brood, vlees, wat groente, iets te drinken en onderdak. Meer heeft een mens niet echt nodig. Herbergiers zullen ook niet onbemiddeld zijn geweest in die tijd. Toch restte er volgens het evangelie slechts een stal voor Zijn geboorte. Waarom komt me dit toch zo bekend voor?

© Willem Platje 2008. (Kerstbijdrage Rotterdamse Schaakbond)

Het bericht <center>Willem verscheen eerst op Wim Platje.

]]>
https://www.willemplatje.nl/willem/feed/ 0 1202