Kar-Trek


Om de een of andere reden vind ik het altijd vervelend als ik mensen ophoud of in de weg sta. Het zal mijn opvoeding wel zijn, die ervoor heeft gezorgd, dat ik me er altijd rekenschap van geef of ik misschien iemand hinder. Dat mocht ik vroeger niet van het ouderlijk gezag en tegenwoordig is het een innerlijk gebod. Eigenlijk is het vanzelfsprekend een ander niet nodeloos te hinderen en dat doe ik als het ook maar enigszins mogelijk is dan ook niet. Van mijn medemens verwacht ik eigenlijk hetzelfde en dat is nu net wat ik eigenlijk niet moet doen. Ik neem aan, dat niemand het expres doet, maar toch ergert het me mateloos als ik gehinderd wordt door mensen, die in de weg staan en niet uit zichzelf even ruimte maken. Zelfs als ze niet in de gaten hebben dat ze me hinderen voel ik tot mijn schaamte van die kleine stroomstootjes in mijn buik. Van die kleine opstijgende irritatieprikkels, die zich rond mijn middenrif verzamelen om daar tot golfjes ongeduld uit te groeien. Ik zeg met nadruk tot mijn schaamte, want waarom kan ik, terwijl ik toch doorgaans de personificatie van het engelengeduld zelve ben, nu niet gewoon even wachten?

Wanneer ik de momenten dat het gebeurt eens rustig op een rijtje zet, dan kom ik tot de conclusie, dat het me het vaakst overkomt in de supermarkt. Boodschappen doe ik altijd op zo efficiënt mogelijke wijze. Simpelweg omdat het niet tot mijn favoriete bezigheden behoort. Zeg maar gerust, dat ik er een behoorlijke hekel aan heb, hoewel ik daar intern doorgaans een verwijzing naar het woord tering wel op zijn plaats acht. Ik probeer me dus zo kort mogelijk op te houden in de gangpaden tussen de schappen en volg altijd de kortste route langs het boodschappenlijstje in mijn hoofd.

Nu kan men in de supermarkt twee soorten Medemens onderscheiden. Zo zijn er de duwers, degenen die het boodschappenwagentje voor zich uit duwen – die zijn gelukkig het talrijkst – en er zijn de trekkers. Die laatsten trekken het karretje achter zich aan. En het zijn nu juist de trekkers, die de meeste overlast veroorzaken. Zij kunnen namelijk nooit goed zien hoe het met de koers van het boodschappenkarretje achter zich gesteld is. Niet alleen staat het karretje van de trekker – het zijn overigens meestal treksters – dan dwars in het toch al niet ruim bemeten gangpad en staat Medemens in diep gepeins verzonken over het dilemma: wokkels of geen wokkels en indien wel wokkels welke dan, maar soms wordt ter oplossing van de besluiteloosheid het gecompliceerde vraagstuk ook nog eens via het mobieltje voorgelegd aan het thuisfront, waar blijkens de voortgang van het gesprek nog een Naaste in opperste verwarring tekortschiet om opheldering te verschaffen in een zo netelige kwestie.

Ogenschijnlijk kalm wacht ik dan het einde van dubio en tweestrijd af tot Medemens uiteindelijk zelf in de gaten heeft, dat er iemand door wil en soms, als dat erg lang duurt, maak ik een zacht schrapend keelgeluidje, waarna meestal de weg onder een gemompeld “Sorry” wordt vrijgemaakt en ik met een vriendelijk knikje en, in geval van vrouwelijk Medemens met mijn liefste glimlach, mijn voorgenomen traject verder afleg om er na de bocht naar de volgende productengalerij achter te komen dat daar maar liefst twee stuks vrouwelijk Medemens, behorend tot het gilde der trekkers, de doorgang barricaderen tijdens het voeren van een geanimeerd gesprek over de voordelen van het gebruik van luierbroekjes van een gerenommeerde producent boven die van het goedkopere huismerk.

Inwendig loopt mijn temperatuur als gevolg van het toegenomen aantal ampères op en vouw ik in gedachten beide dames gewelddadig op in hun winkelwagentjes, maar ik houd me in. Niet alleen, omdat het me een kansloos vooruitzicht lijkt om voor de rechter geloofwaardig uit te leggen, dat in dit specifieke geval het gebruik van enig gepast geweld alleszins te verdedigen is, maar ook omdat ik weet dat het ergste nog moet komen.

Opkomende zenuwtrekjes onderdrukkend arriveer ik dan bij de kassa en of het nu toeval is of mijn lotsbestemming, ik schijn het altijd zo te moeten treffen, dat er een trekker zijn volle boodschappenwagentje op de lopende band staat te legen. Nog is er niets aan de hand, hoewel ik aan de volkomen ongeordende manier waarop de aankopen op de band worden gelegd al kan zien, dat het weer een lange wacht gaat worden. Maar als dan eindelijk het balkje, dat de boodschappen van Medemens moet scheiden van de mijne wordt neergelegd, staat daar het karretje naast de band en staat Medemens ervoor bij de pin-automaat. Ik kan er dus niet bij om mijn goederen op de band te leggen! Dat verdomde wagentje van Medemens staat in de weg. Ik begin met een hoofd vol duisterwoorden toch maar mijn boodschappen zo goed en zo kwaad als het gaat op de band te leggen, terwijl ondertussen aan het verzamelpunt aan het eind van het kassa Medemens staat te wachten tot de spullen, die onderin de tas moeten worden gestald door de caissière over de piepplaat worden gehaald. Want natuurlijk komen juist die spullen als laatste. Geluidloos schreeuw ik: “Leg toch verdomme eerst de onbreekbare, de stevige verpakkingen, die onderin je tas moeten op de band, dan hoef je niet te wachten totdat je de eieren, je chips en die saucijzenbroodjes, die je nu eerst in die vollopende chaos terzijde moet schuiven, bovenop in je tas kunt leggen”!

Als ze zo staan te tobben-zonder-het-zelf-te-weten geef ik ondertussen met mijn kar gemene, zachte duwtjes tegen de kar voor me, zodat die, als er moet worden afgerekend, medemens in de weg staat en de mijne eerst weer wat naar achteren moet om plaats te maken. Maar ook dan dringt niet tot ze door, dat het hun handelswijze is, die oorzaak is van de ontstane chaos. Achter de kassa is immers een zee van ruimte, waar een beetje duwer zijn kar logischerwijze plaatst. Ruim voldoende om een ongestoorde gestage stroom van goederen af te handelen.

Buiten en tot rust gekomen bedenk ik dan, dat het maar goed is dat niemand iets heeft gemerkt van het toneelstuk, dat zich in mijn hoofd heeft afgespeeld en tevreden loop ik naar de auto, terwijl ik onderweg van een paar meter afstand nonchalant de verfrommelde kassabon in een prullenbak mik.

Willem Platje © 2016

Geef een reactie