Remise als ik het wil!


De bekendste anekdote over de grote schaker Akiba Rubinstein, die in 1882 in het toen Russische en nu Poolse Stawiski geboren werd en in 1961 in België stierf, gaat over zijn partij in de laatste ronde van het prestigieuze toernooi van Karlsbad 1907 tegen Heinrich Wolf. Een mooi verhaal, alleen is de speelse zelfverzekerdheid die er uit spreekt moeilijk te rijmen met het algemene beeld van Rubinstein dat in de schaakliteratuur is overgeleverd. Mensenschuw zou hij zijn geweest, zenuwachtig en soms dicht bij een geestelijke ineenstorting.

Rubinstein stond bovenaan met 14½ uit 19. De enige die nog gelijk met hem zou kunnen komen was de Hongaar Maroczy, die een punt minder had. Maroczy moest in de laatste ronde met wit tegen Janowsky, Rubinstein met zwart tegen Wolf. Als Maroczy zou winnen (wat inderdaad gebeurde) en Rubinstein zou verliezen, zou de eerste prijs gedeeld moeten worden. De avond voor de laatste ronde (zo wordt het verhaal overgeleverd door de Oostenrijkse meester Hans Kmoch) hielden Wolf en Maroczy krijgsraad. De gezamenlijke openingsanalyses gaven de anders nogal timide Wolf groot zelfvertrouwen en plechtig verklaarde hij tegen zijn vriend Maroczy dat hij de grote Rubinstein de volgende dag zou verslaan.

Helaas, na een nachtje slapen was Wolf weer de oude: op de 22ste zet bood hij Rubinstein remise aan. Rubinstein, die met remise toernooiwinnaar zou zijn, weigerde. Tot ieders verbazing, maar al gauw bleek dat de weigering objectief gerechtvaardigd was geweest. Met een zeer voor de hand liggende zet kon Rubinstein drie zetten later een mat-aanval beginnen die binnen een paar zetten de partij in zijn voordeel zou beslissen. Alle toeschouwers zagen de zet, maar Rubinstein deed een andere. Zou die misschien nog sterker zijn? Nee, een paar zetten later werd de partij remise door herhaling van zetten. Rubinstein had het toernooi gewonnen.

De verbijsterde toeschouwers stormden op hem af en de volgende dialoog is door vele schaakschrijvers opgetekend: “Grootmeester, zag u de zet niet waarmee u kon winnen, hij lag toch voor de hand?“ “Natuurlijk zag ik die zet wel", antwoordde Rubinstein enigszins korzelig, "maar ik had genoeg aan remise.“ “Maar", zo ondervroeg men hem verder, "dat is toch onzin grandmaitre, als u alleen maar remise wilde, waarom sloeg u het voorstel dan af toen Wolf het na tien zetten deed?“ De excentrieke Rubinstein gaf vervolgens het antwoord, dat hem onsterfelijk zou maken in de schaakwereld: “Tegen Wolf maak ik remise als ik het wil, niet als hij het wil!“

Dit is de stelling waarin Rubinstein met 24...Th5 had kunnen winnen: 25. h3 Pg4! 26. fxg4 Txh3+ en zwart geeft snel mat. In de partij werd gespeeld 24...Lb7-a6 25. Pc4-b2 La6xd3 26. Td1xd3 Td5xd3 27. Pb2xd3 Dc7-c4 28. Pd3-e5 Dc4-c7 29. Pe5-d3 Dc7-c4 30. Pd3-e5 Dc4-c7 31. Pe5-d3 Dc7-c4 Remise.

Had Rubinstein de zet 24...Th5 gezien? Dat moet haast wel, een zet die mat in één dreigt is moeilijk over het hoofd te zien en de verwikkelingen daarna zijn ook niet bepaald ondoorgrondelijk. Behalve met het elegante 25...Pg4 kan zwart ook winnen met het brute 25...Lxf3.

Waarom forceerde Rubinstein dan remise door zetherhaling? Het antwoord moet helaas zijn dat Rubinstein helemaal geen remise 'forceerde' met zijn afwikkeling. Er was voor wit geen enkele reden om het merkwaardige 29. Pd3 te spelen, hij had net zo goed de partij kunnen voortzetten met het gewone 29. c4. De remise werd overeengekomen, niet door Rubinstein geforceerd. Het partijfragment suggereert wel heel sterk een banale verklaring voor de vreemde remise. De remise moet van te voren zijn afgesproken, anders is noch 24...La6? noch 29. Pd3? te verklaren. Toen Wolf na tien zetten voorstelde om het bijltje er bij neer te leggen, moet Rubinstein iets gezegd hebben als: “Nog even doorspelen, anders maakt het zo'n slechte indruk op het publiek.“ Vervolgens zag hij de winstzet, maar hij mocht hem niet spelen en Wolf was natuurlijk al lang blij dat hij met 29. Pd3?! een enigszins plausibele weg naar de afgesproken remise kon vinden.

Het verhaal dat ons overgeleverd is, is veel mooier. Het spijt me echt dat ik het naar de vuilnisbak van de schaakgeschiedenis denk te moeten verwijzen. Het is maar goed dat de meeste schaakschrijvers het niet als hun belangrijkste taak zien om nauwkeurig te controleren of de verhalen die ze navertellen wel helemaal waar zijn. We zouden het mooiste deel van de schaakliteratuur kwijtraken.

Door: Hans Ree - 29 oktober 1994
Bewerking: Willem D. Platje 2017 ©

Akiba Rubinstein

Geef een reactie