Rick


"Het belangrijkste van de muziek staat niet in de noten" (Gustav Mahler)

“Musicians don’t fight”, zei hij toen ik eindelijk de stap waagde en zijn drempel over stapte. Hoe onopvallend ik ook talloze malen geprobeerd had voor z’n etalage heen en weer te slenteren, hoezeer ik ook desinteresse getracht had uit te stralen.

Het was hem overduidelijk. Eigenaren van een muziekhandel hebben een neus voor verslaafden als ik. Ze moeten natuurlijk instrumenten verkopen en dus mocht ik van hem de gitaar van mijn dromen uitproberen in de geluidsdichte ruimte die hij achter zijn zaak had gebouwd. Hij wist allang dat ik verkocht was. “Probeer deze eens”, zei hij. “Je hebt er echt de vingers voor man!” Met behoedzaam gespeelde, voorzichtige bewegingen hing hij me de Fender Strat met de mapleneck om de schouders. Ik werd keizer. Hij kroonde me, wees me de troon en sloot de deur achter me. Inpluggen. Volume omhoog. Diep ademhalen… Ik smeet alle registers open. Waaiers van vurige klanken spetterden tegen de geluidsdichte gecapitoneerde wanden. De emotie spatte uit mijn vingers. Zielsverdovend knalden de accoorden de wereld in. Mijn vingers duwden de snaren op tot aan hun limiet en gierende solo’s eindigden met het geluid van neerstortende vliegtuigen toen ik het pookje van de tremolo ruw tot aan het maximum neerdrukte. Ik mocht me een vol uur uitleven en bereikte het summum van muzikaal genot.

“De zon en de zee sprongen bliksemend open, Waaiers van vuur en zij!”

Een week later kocht ik van mijn spaargeld bij hem de Fender Stratocaster die ik zo begeerde. Ik knoopte zijn overtuiging wel in mijn oren. Hij had gelijk: “Musicians don’t fight”.

Vredelievender mensen bestaan er inderdaad bijna niet. Natuurlijk! Ik begrijp het volkomen. Ik ben gitarist en wil eigenlijk alleen maar spelen. Ik kan bijna lyrisch worden als het gesprek over gitaren gaat. Niettemin staat ook een andere kunst als antipool mij na aan het hart. “Chessplayers don’t fight”, denk ik dan. Weliswaar knokken schaakspelers een soort gesublimeerde oorlog uit op 64 vlakjes en is het een geestelijke strijd die daar plaats vindt, maar inderdaad leidt het nooit tot bloedvergieten. Schaken en muziek. Een perfect huwelijk?

Soms heb je uren gezwoegd en ben je euforisch als je uiteindelijk een schaakpartij wint. Soms geef je een vrijwel gewonnen partij door een enorme kortsluiting in je hoofd pardoes weg. Dan ben je in je gedachten soms tot de vreselijkste dingen in staat. Je houdt je in, want het is maar een spel toch? Niettemin heb je gespeeld. Je hoort immers tot de kaste die speelt? Spelen! “Homo Ludens”. De spelende mens! Spelen, spelen… Is het schaken een spel of is het echt een oorlog of toch kunst? Maar ook gitaarspelen is een gevecht. Met dit verschil: Eén speler speelt de hoofdrol. Een gevecht met je zelf. Als je soms na duizend herhalingen iets kan laten klinken zoals het al jaren in je hoofd rondzong, dan ben je even uitgeput als gelukkig. Pijn in je vingers, maar de overwinning smaakt zoet.

Ogenschijnlijk lijken schaken en musiceren mijlenver uit elkaar te liggen. Ja, zelfs totaal niets met elkaar te maken te hebben. Het is zeker niet zo eenvoudig, dat men kan zeggen, dat het streven naar harmonie schakers en musici bindt. Misschien is het juist wel zo, dat schakers juist streven naar disharmonie, het uiteendrijven van de stukken in een oorspronkelijk harmonieuze stelling, die eerst juist in een gezamenlijk streven naar gelijkheid wordt opgebouwd. Bij schakers verwordt plots, door een mindere behandeling van een stelling door één der spelers de partij tot een wreed slagveld, terwijl juist in de muziek gezamenlijk gestreefd wordt naar een ultieme harmonie.

Musici zijn, denk ik, ook vergevingsgezinder, omdat ze weten – notoire solisten daargelaten – dat er iets groeit en dat ze juist gezamenlijk opstijgen naar iets dat groter wordt dan zichzelf. Die groei is voor niet-musici schier onbegrijpelijk. Dat door dat ongrijpbare niet alleen het samenspelen beter wordt, maar dat ook de spelers elkaar steeds meer gaan waarderen, is wat de schaker, individualist als hij is, ontbeert.

Toch is het verbazingwekkend hoeveel schaakmeesters juist een liefde voor muziek (en dan bedoel ik het zelf beoefenen van die muze) hebben opgevat en daar ook veel plezier aan hebben beleefd. Ja, zelfs grote hoogten in hebben bereikt. Het zijn er opvallend veel Zo heb ik ooit de Hongaarse grootmeester Lajos Portisch, ooit één der allerbeste schakers, met zijn prachtig timbre een deel uit een opera horen vertolken waarvan ik als musicus-schaker het kippenvel op mijn armen kreeg. Nu vond dat plaats bij het Hoogovenstoernooi in de strenge winter van 1978 en kan dat verschijnsel (dat kippenvel bedoel ik) volgens niet-musici ook door de gebrekkige verwarming van de zaal veroorzaakt kan zijn, maar ik vond het prachtig. Schaakgrootmeester Taimanov bijvoorbeeld, schaakkampioen van de USSR in 1952 was een begenadigd concertpianist… Schaken is eigenlijk muziek en muziek is een soort van schaken.

Ik stap, het zal eind zeventiger jaren geweest zijn, monter de Delftse studentensocieteit Phoenix binnen. Ik moet daar om twaalf uur ’s nachts met mijn Sweet Shiverband een concert geven na de roeiwedstrijden van de Delftse studenten en zeul mijn ebbenhouten Rickenbacker basgitaar in zijn koffer naar binnen. Zwaar! Ik ben veel te vroeg. Het is pas half elf. Om twaalf uur moet ik pas de bühne op. Niettemin heb ik er zin in. Ik voel me geweldig. De muren van Jericho zal ik zeker met slechts één ommegang en een paar noten van mijn bas laten ineenstorten…! Tot mijn enkels in de pils waad ik naar een soort van bar, waar een blauwe blazer, een superbal me aanspreekt: “U bent van dat bandje zeker”? vraagt Harm-Jan...

Hoe kan een doorgaans zo vredelievend mens als ik ben – musicus en schaker – zo plotseling ontbranden en in een bijkans onbeheerste en onmiddellijke woede vervallen? “Bandje? Ben jij helemaal besodemieterd?” voeg ik hem toe. Gelukkig houd ik me verder in. (“Die blaag weet niet beter. Zijn wereld is de mijne niet.”) De rationele schaker in me wint het van de emotionele musicus. En dus pak ik hem slechts met mijn linkerhand, gestaald door jaren van vingeroefeningen, in de smoezelige kraag van zijn blazertje en trek hem half over de toog. “Biertje en snel een beetje!” Harm-Jan kruipt als ik hem daarna loslaat angstig in zijn schulp en biedt me haastig een gratis pilsje aan. Na nog wat nerveuze plichtplegingen gaat hij er als een haas vandoor. Mijn woeste uiterlijk, lange haren, schaduwbaardje, ontblote biceps buiten het strakke T-shirt over mijn afgetrainde six-pack en de nep-tattoo op m’n linker-bovenarm maakten kennelijk indruk. Overigens heb ik in mijn hele leven nog nooit een mug doodgeslagen. “Musicians don’t fight.” Nietwaar?

De koffer met mijn Rickenbackerbass leg ik op twee barkrukken, Ik maak hem open en ga even na of ik alles bij me heb: plectrums, reservesnaren, reservekabel… “Mooi”, denk ik en doe hem weer dicht. Het lange wachten begint. Ik trek een versleten leren zetel naar me toe en nestel me genoeglijk in de fauteuil. Een voetenbankje vrijwaart mijn gympen van de nattigheid op de vloer. Het banket na de Delftse roeidagen zal nog wel even duren neem ik aan en ik zak langzaam onderuit. Vlak voordat ik mijn pet over mijn ogen wil trekken waadt een kleurloze, spichtige en rijkelijk van jeugdspuistjes voorziene jongeman de zaal binnen. Hij zet zich aan een tafeltje waarop een schaakbord staat en begint de stukken in de beginstelling op te stellen. Dan staat hij op om de vloer te inspecteren en vindt nog een tweetal natte pionnen. Een beduimeld boekje diept hij op uit de binnenzak van zijn sinds lang niet gestoomde, inmiddels blauwgrijze blazer. Peinzend begint hij een partij na te spelen. Ik twijfel of ik voor het concert nog rust moet nemen, maar ik voel me goed. “Zin om een partijtje te spelen”?, roep ik hem toe. “Richt u het woord tot mij, meneer?”, vraagt hij. Ik frons mijn wenkbrauwen. “Ben ik op mijn achtentwintigste ineens een meneer?” voeg ik hem met vervaarlijk gefronste wenkbrauwen woest toe… Van zijn stuk gebracht stemt hij met verbaasde ogen toe.

We spelen. De puisterige bleekneus speelt verdomd sterk. Vijftien minuten elk was de afspraak. Mijn handen teisteren de knoppen op de klok, hij streelt ze bijna. Ik raak al snel in moeilijkheden. Waarheen met mijn Dame? Klap! Er dreigt stukverlies! Ik zag het! Ik ben verdomme nooit sterk geweest met snelschaak! Knal! Waarom heb ik me hierin begeven? Dreun! Toch weiger ik zonder slag of stoot te verliezen en krom mijn rug, buig mijn nek over het bord en verlies me totaal in het spel. Ik krijg problemen, grote problemen, maar vlak voor de genadeslag zwendel ik me eruit. “Als de nood het hoogst is, is ook dit keer de Schwindel nabij”, denk ik, opgelucht ademhalend. “Een zwaar bevochten remise is nooit onverdiend toch?” Hij oogt teleurgesteld als we elkaar de hand schudden. Ik stevig, hij slapjes. “Nog een partijtje?”, vraagt hij, “Sorry, Je speelt super, maar volgens mij moet ik over tien minuten op”.

Dick, onze drummer, komt met Elise en Ellen aan zijn zijde hijgend naar binnen gesneld en slaat voor de grap de klep van mijn pet naar beneden. “We zaten verkeerd, verkeerde afslag, maar we zijn op tijd!” “Kom op, Basje, we gaan beginnen!” Tot mijn genoegen zie ik dat Ellen en Elise er mooier dan ooit uitzien. Tijd om ze dat te zeggen krijg ik niet. Ik pak de koffer met mijn Rick en haast me naar de kleedkamers. In recordtijd kleed ik me om. Vlug! Strak die wijnrode broek. Ellen ritst me dicht. Mijn rode, wijnrode hemd snel over mijn hoofd trekkend buig ik, om Elise driftig kammend de klitten uit mijn lange haren te laten halen. Ik kijk half struikelend op weg naar het podium nog even in de spiegel. Ik zie er ruiger uit dan ooit tevoren. Ik open de koffer en Rick wenst me succes. Ik voel dat hij blaakt van het zelfvertrouwen. Ik voel zijn energie als we samen het trapje naar het podium beklimmen.

Als even later de grote rode gordijnen van het theater opengaan en een horde Delftse studentenroeiers loeiend van de hormonen het podium bestormt, ongetwijfeld vanwege onze twee zangeresjes, tel ik af: “Tweeeee, drie vier”. We zetten ons eerste nummer, Ï’ll never let you go!”, in. Ritchie speelt het intro. John zingt de sterren de hemel uit en Leo striemt zijn toetsen. De studentenmeute deinst onder onze decibels als door een donderslag, een tsunami van geluid getroffen, meters terug. Terwijl ik vol energie samen met Dick op de tweede maat inzet en mijn vier snaren er ritmisch van langs geef denk ik:: “De meisjes zijn veilig, muziek is heilig en schaken is een concert”!

Schakers zijn natuurlijk componisten. Elke partij is een unieke compositie. Soms is het een fraaie harmonie, die leidt naar remise, maar het streven naar onbalans in een partij is uiteindelijk het doel. Pas dan kunnen we winnen. Winnen! Verslaan! De ander geestelijk verpletteren! Wij schakers zijn dus gedoemd. Musici spelen altijd de ultieme remise, want dat is winst. Vandaar wellicht dat zoveel schakers ook zo muzikaal zijn...

© Willem Platje 2008

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *