Titus


De man in lijn 7 naar het Eendrachtsplein zei het zelf: “Titus is mijn favoriet”. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik daar toch enigszins verbaasd over was. Hij leek me niet echt het type dat musea bezoekt.

Hij was vrij klein, kalend op een verwelkte lauwerkrans van haren na en voorzien van een forse bierbuik, die er samen met zijn rood-dooraderde neus op scheen te wijzen, dat hij nou niet bepaald afkerig was van een paar pilsjes. “Die zal er niet in spugen”, dacht ik nog. Een joggingbroek, een trainingsjack, een aan de hals lubberend T-shirt, sportschoenen en een volgens mij naar Rotterdamse maatstaven volkomen foute das met het embleem van FC Barça erop completeerden mijn vooroordeel. Tot mijn schaamte achteraf moet ik zeggen, want niet alleen was hij me zeer behulpzaam door me de dichtst bij het museum gelegen tramhalte te wijzen, maar ook reageerde hij bij het vernemen van mijn bestemming direct met: ” Je komt voor Jeroen Bosch zeker”? Nu had ik die tentoonstelling al een maand eerder bezocht, dus raadde hij me vervolgens aan om “Titus an ze lessenaar”, zijn persoonlijke favoriet maar eens goed te bekijken. “Topstuk. Mooiste ooit gecrëeerd”. Gecrëeerd, hij zei het werkelijk… De vrouwenstem met de verkeerde intonatie meldde door de luidsprekers “Eendrachtstraat” en met een dankjewel groette ik hem en haastte me de kou en de regen in.

Ik heb een sterke voorkeur voor musea, waarin de chronologie van het tentoongestelde gehandhaafd is. Gewoon het oudste bezit eerst en dan een wandeling maken steeds verder door de tijd. De tijdgeest weerspiegeld zien in de kunst. Ik frons even de wenkbrauwen als het eerste werk dat ik zie “De Emmaüsgangers” is van meestervervalser Han van Meegeren, het schilderij dat ooit door de experts voor een vroege Vermeer gehouden werd, maar ik meen die keuze te begrijpen. Alsof men zeggen wil: “Zorg, dat je goed kijkt, het is niet altijd wat het lijkt”. Ik begin aan een reis door de tijd. Via de vroege Middeleeuwse religieuze kunst, “De Toren van Babel” van Pieter Brueghel de Oude en een portret van Erasmus beland ik in zaal 10 in de Gouden Eeuw. Mijn oog valt op het portret van Aletta Adriaensdochter, dat Rembrandt, ongetwijfeld in opdracht, schilderde. Een prachtig portret van Hollands grootste meester.

Maar ook niet meer dan dat. Een professioneel geschilderd portret en dat is het dan. Links bij binnenkomst ontwaar ik dan eindelijk Titus. Ik zeg met nadruk eindelijk, want ik ken het schilderij al zo ongeveer een halve eeuw. De serie kinderpostzegels uit het jaar 1941 met de afbeelding van Titus erop zat compleet en postfris zoals dat in kringen van filatelisten heet in mijn album. Ineens realiseer ik me, dat de uitgifte van die zegels waarschijnlijk wel met goedkeuring van de bezetter heeft plaatsgevonden. Ik kan me niet voorstellen, dat die een serie zegels met afbeeldingen van moderne schilderijen uit die tijd gedoogd zou hebben. Zo’n beetje alles, wat in die tijd tot de abstracte- of expressionistische kunst gerekend kon worden werd door de nationaal-socialisten als “entartete Kunst” betiteld. In gedachten sla ik mijn album open en zie ik de postzegels uit de bezettingstijd. Zegels met Germaanse symbolen, Nederlandse zeehelden, zegels met een opslag voor winterhulp en volksdienst mochten natuurlijk wel, maar afbeeldingen van het werk van Chagall, Gauguin en Munch zeker niet. Ik zie ze voor me: vijf zegels met “Voor het Kind” boven Titus’ hoofd. Onderaan elke zegel stond in piepkleine letters het bedrag van de “Bijslag”. Volkomen logisch dacht ik destijds dat daar het geld wel vandaan zou komen voor de kinderbijslag, waarover ik mijn ouders wel eens had horen spreken. 1½ cent bruingrijs, 2½ cent olijfgroen, 4 cent aquamarijn, 5 cent zeegroen en 7½ cent steenrood. De laatste, met een bijslag van 3½ cent was de mooiste zegel in mijn verzameling.

Titus was dus voor mij een vertrouwd mannetje dat ik al heel lang kende, maar nooit ontmoet had. Diep in gedachten verzonken sta ik voor hem. Ik kijk hem aan zonder hem te zien. Dan wordt mijn aandacht getrokken door een kleine beweging, die ik vanuit mijn ooghoeken waarneem. Ik draai wat opzij en kijk recht in de ogen van een zaalwacht, die me aandachtig observeert. Zijn taxerende blik blijft nog even op me gevestigd. Ik begrijp het. Hij ziet een man, die een even warrige indruk maakt als zijn half-natte verwaaide haardos en ook al zit Titus achter glas, je weet maar nooit. Ik ga me, volgens mij net iets te overdreven, gedragen als een geïnteresseerd kunstkenner en doe, net iets te gehaast, een stap of wat terug.

Titus kijkt me niet aan, hij kijkt langs me heen met grote, nadenkend starende ogen. Een duim tegen zijn kin gedrukt. In de rechterhand een pen, in de linker een pennenkoker. Zit hij te dagdromen? Is hij in diep gepeins verzonken? Lukt de tekening niet die hij aan het maken is of is hij letters uit een saaie schrijfles aan het oefenen? Het bijna vergeten gevoel, dat ik zo vaak had als ik me weer eens zat weg te dromen in een zomerse schoolklas bekruipt me na al die jaren opnieuw. Ik kijk Titus nu recht in zijn ziel. Zo moet, stel ik me voor, de vader zijn zoon in de onbestemde verten hebben zien staren en legde hij juist dat moment vast. Hij heeft hem op een heel tedere manier geportretteerd. Ik krijg de indruk, dat het ultieme vaderliefde is, die hier uit de poëtische penseelstreken spreekt. Het lijkt of Titus nu ieder moment uit zijn dagdroom kan ontwaken en zich verbaasd met de ogen knipperend zal herinneren waar hij ook alweer mee bezig was. Zal hij opstaan en naar zijn moeder lopen om haar te laten zien wat hij gemaakt heeft of zal hij het papier verstoord ineen frommelen en een nieuwe poging wagen?

Ik keer terug uit mijn fantasieën en doe wat stappen naar voren, zie krachtige Rembrandtieke kleuren, rood, groen wit. Het clair-obscur, dat de bron verhult van het van links invallende licht. De bijna expressionistische vegen op het doek waarmee de voorkant van de lezenaar is weergegeven. Ik besef ineens, dat ik oog in oog sta met de penseelstreken, die de de grote meester meer dan 360 jaren eerder aan het doek toevertrouwde. Ik zie zijn “Rembrandt 1655” duidelijk linksonder staan. Een portret van alle tijden, dat zomaar gisteren geschilderd had kunnen zijn. Het zal wel komen, omdat Titus me al van jongs af aan zo vertrouwd is en misschien ook, omdat ik het graag zou willen, maar de strelende gedachte dat dit het mooiste is dat ooit is geschilderd en alles overtreft, wil ik vast verankerd houden in de zetel van mijn schoonheidsbesef.

Het is bijna sluitingstijd als ik het museum verlaat. Het is al donker en de plassen verdubbelen het licht van straatlantaarns en koplampen. Omdat het vrijwel niet meer regent, besluit ik naar het Centraal Station te lopen. Halverwege hoost een verraderlijk opkomende plensbui mijn schoenen vol. Verkleumd wacht ik op het perron tot een warme sprinter me naar huis brengt. Mijn broekspijpen geven natte gewaarwordingen aan mijn benen door als ik in de tweede klas ga zitten. De vrouwenstem met de verkeerde intonatie roept het volgende station af. De trein suist licht schommelend door het duister. Het laatste wat ik zie voor ik wegdoezel is een man, die me vanachter de ruit aanstaart en een even warrige indruk maakt als zijn natte verwaaide haardos…

In het museum dooft de zaalwacht het licht in zaal 10. Titus ontwaakt uit zijn dagdromen, knippert verbaasd met zijn ogen en vraagt zich af waar hij ook alweer mee bezig was. Een druppel inkt heeft in zijn afwezigheid zijn pen verlaten en is op zijn papier uiteengespat. Vol ergernis verfrommelt hij het blad waarop zijn in schoonschrift geschreven hoofdletters nu ontsierd zijn. Dan wordt zijn aandacht onwillekeurig naar de schone bladzijde getrokken en ziet hij verbaasd toe hoe zich daar langzaam vijf kleine rechthoeken vormen. Eerst nog vaag, maar dan beginnen de randen goudkleurig op te gloeien en vormen zich fijne kartelrandjes. De traag wervelende nevel in het midden van elk van de vlakjes lost langzaam op. Vijf kleine evenbeelden breken door de mist en staren vanaf het blad op de lezenaar dromerig langs Titus heen in de verte. Het ene is bruingrijs, het andere olijfgroen, aquamarijn kleurt de derde en die eronder zijn zeegroen en steenrood...

© Willem D. Platje 2016

Kinderpostzegels: Titus aan de lezenaar

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *