Jaap


Jaap Mol

"Men kan beter sneuvelen dan sterven van angst" (R. S. Surtees)

“Goddelijk” is het woord dat zich in mijn gedachten dringt. Vannacht heb ik op de BBC een uitzending gevolgd over tijd en lichtsnelheid. Het ging over van ons wegvluchtende sterrenstelsels in een uitdijend heelal.

Over quantummechanica en roodverschuiving in het sterrenspectrum door het Dopplereffect. Over zwarte gaten, Venus en Mars, Einstein, relativiteitstheorie, Hubble en de paradox van de tweeling. Mijn brein capituleert, geteisterd, uiteindelijk om half zes als onze Ster zachtjes de kim kriebelt en uitbundig wordt verwelkomt door de meesjes…Uitgeput spoel ik mijn glas en ga snel naar bed… Rust…!Gedroomd van heldendom op het schaakbord en lieve vriendinnetjes. Aangekomen in het land tussen droom en daad dringen herinneringen aan mijn schooltijd zich op. De lessen Nederlands, biologie en natuur- en scheikunde vond ik geweldig. De gezichten van misschien al niet eens meer levende leraren zie ik in deze lucide droom glashelder voor me. Beelden van klaslokalen, echo’s van langvergeten stemmen. Ze leven dus toch nog, zelfs al zijn ze er niet meer. Biologieles in het veld was, naast sterrenkunde en muziek, altijd één van mijn favorieten…

Met zijn enigszins lispelende stem wijst meneer Caspers ons op de Chrysopa, de gaasvlieg, een tot de netvleugeligen behorend insect met gaasachtige groene vleugels. Zojuist neergestreken op een Smeerwortel. Ik noteer braaf “Symphytum Officinale” naast het plaatje in mijn Flora. Een ruwbladige plant met hangende paarse, witte of rode bloemen. Dom van me. Onder het plaatje stond die naam er immers al. Roken tijdens de buitenles werd oogluikend toegestaan en ik houd een brandende sigaret tegen de violette kelkjes van één van de bloemetjes en zie hoe de rand prachtig gifgroen verkleurt...

Langzaam ontdoe ik me van de droom en zie tot mijn genoegen dat droom en werkelijkheid toch niet zo heel ver van elkaar liggen. Een prachtig lichtgroen vliesvleugeltje, dat al vliegend zacht-tikkende geluidjes tegen het zachtboard-plafond maakt vindt even een rustplaats en blijft ondersteboven zitten. Dan vliegt ze (is het een Hij?) in golvende vlucht onhoorbaar door mijn slaapkamer. “Hoe ben jij hier binnen gekomen”, vraag ik me af en besluit nog heel even te blijven liggen. Ik draai me genoeglijk om, maar kan de slaap niet echt meer vatten.

“Is mijn brein te klein? Bevat het simpelweg niet voldoende neuronen om de kosmos volgens Stephen Hawking te bevatten? Ik ben geen Albert Einstein, geen Isaac Newton, geen Michael Tal.

“To Hell with it“, denk ik en draai me nog maar eens tevreden om, slechts om in het verwachtingsvolle gelaat van Fonsje te kijken. Hij knijpt zijn ogen even dicht en geeft me spinnend een kopje. Luid zuchtend ga ik krakend het bed uit, wankel naar de badkamer en doe mijn ochtendplas. “Gelukkig in de juiste volgorde”, denk ik triomfantelijk en bijna struikelend over de kat stop ik mijn kop onder de koude kraan. Hoewel opgefrist en klaar wakker laat het verleden me toch niet met rust. Verdomme! Dit is weer zo’n morgen. Mijn geheugen belaagt me weer eens met onontkoombare herinneringen. Ik wil het niet. Ik wil naar voren denken, maar ik ben kansloos. Uit een sinds lang verborgen bron welt spontaan een dichtregel op:

“De wereld van de vroege morgen breidt zich voor mijn geroerde ogen uit. Aan hoge daken kleven dauwe regendruppels, die zich...”

Ineens weer zestien, zie ik de hoge bedauwde daken van de huizen aan de Groenmarkt. Ik spijbel weer eens van school. Om het thuis niet op te laten vallen ben ik gewoon van huis vertrokken om kwart voor acht. Om acht uur al kun je bij Visser terecht voor een kop koffie. Je kunt er de krant lezen en wachten op lotgenoten. Iets te vroeg wandel ik over het Scheffersplein. We zijn allemaal slachtoffer van de hormonale chaos die over ons jeugdige lichaam en geest is gaan heersen. De school kan me gestolen worden. Ik ga niet meer! Het heeft allemaal geen zin! Wat kan mij het schelen hoe je in de mechanica de resultante van vectoren bij op elkaar inwerkende krachten berekent? Het interesseert me niet of een chemisch element één- of tweewaardig is in een scheikundige reactie en dat er maar één wederkerig voornaamwoord in het Nederlands bestaat doet me al helemaal niets. Ik ben een dichter met passie, een wetenschapper met een missie, maar helaas ook een evangelist zonder boodschap.

De deur leunt open tegen een emmer sop van de werkster. Ze ontdoet de tegelvloer van het achtergelaten schoenenvuil en de peukjes van de gasten van de vorige dag. Haar armen zijn rood en besprenkeld met piepkleine witte heuveltjes kippenvel, waaruit kleine blonde haartjes het licht beantwoorden. Ik huiver van de kou en ga snel de warmte in. Hangend op mijn plek aan de linkerkant van de bar bestel ik een koffie...

Teruggekeerd in het heden schud ik woest de druppels uit mijn haar om ze vervolgens met de handdoek van de spiegel te vegen. “Verkeerde volgorde”, denk ik verslagen. “Doe normaal”, bijt ik mezelf geërgerd toe. “Wat geweest is, is geweest!” Ik ontkom echter nog steeds niet aan het verleden. Na al die jaren neig ik nog steeds naar dezelfde hangplek, die ik tot ongenoegen van alle dynastieën van eigenaren van Visser altijd inneem als ik er ben. Links voor de bar, het bovenlichaam lichtjes achterover over de toog leunend en altijd, tot grote ergernis van de baas, in de weg staand van het bedienend personeel. Ik moet even glimlachen. Mijn spijbelcafé, mijn hangcafé, maar ook mijn schaakcafé. Of moet ik in plaats van het woord café het woord “salon” bezigen? “Visser’s Poffertjessalon” is tenslotte een begrip in Dordrecht.

Jaap en Frans namen de salon al lang geleden over en maakten er een bloeiende zaak van. De zaterdagmiddagen zijn nog steeds fameus. Jong en oud mengen er zich zonder problemen. Er wordt gedronken, iedereen praat met elkaar en wie je bent of wat je in het immer weerbarstige leven hebt bereikt of net niet…het maakt niet uit en op dinsdagavonden is de kroeg het vaste domein van “De Willige Dame”. De enige echte schaaksociëteit die Nederland rijk is, teruggrijpend op de rokerige schaakcafé’s zoals die aan het eind van de negentiende eeuw in Parijs, Londen en Berlijn bestonden.

Jaap verschaft de sociëteit nog immer onderdak in zijn etablissement en is zelf een fervent schaker. Een zeer sterke speler, die meermaals kampioen van de club geworden is. Ooit student aan de Technische Hogeschool in Delft – hij stond er zelfs acht jaren ingeschreven – stellen de aan zijn bètabrein ontspruitende hersengolven zijn tegenstander vaak voor schier onoverkomelijke problemen. Ik heb het zelf helaas vaak genoeg aan den psyche mogen ervaren. Als ik weer eens door één van zijn uitgedeelde knock-outs van het bord geveegd was, besloot ik steevast het schaken er maar helemaal aan te geven en me te beperken tot het oplossen van het dagelijkse schaakpuzzeltje voor beginners in het Algemeen Dagblad. Die droeve gemoedstoestand duurde dan gelukkig maar een paar uren.

Er zijn van die mensen, waar je geen vat op krijgt. Ik zeg het niet juist: Er zijn mensen, waar je op de één of andere manier niet zo gemakkelijk mee kunt spreken, zonder het gevoel te hebben, dat je zo meteen iets stoms zult gaan zeggen. Wat je ook doet en wat je ook zegt, het pakt altijd verkeerd uit. Je wordt altijd verkeerd begrepen en je krijgt dan een antwoord waar je zelf onvermijdelijk het antwoord op schuldig blijft. Hoe goed je het ook bedoelt… Jaap is er, althans voor mij, zo eentje.

Het wordt na elke voorbije competitie wel weer eens de tweede dinsdagavond in september. Voor de eerste ronde wordt er dan geloot. Mijn grootste vrees werd maar weer eens bewaarheid. Ik had nog zo geprobeerd die ijselijke gedachte uit mijn geest te bannen. Zo getracht het mogelijke onheil uit mijn geest te verdrijven. Als je er maar aan denkt, gebeurt het ook. Niet denken dus! Niet, niet aan denken! Het hielp niets. Ik lootte het noodlot: Jaap. En dat dan ook nog eens met zwart. Kop op! Wees een vent. Met opgeheven hoofd naar het schavot! De strop of de gladiolen! En dus zette ik na vijf achtereenvolgende smadelijke nederlagen dapper het zwarte paard op f6 om in een Tweepaardenspel hoog spel te spelen. Kom op! Concentreren! Vasthouden! …Maar gedachten dwalen. Je geest is slechts in schijn van jou en laat zich, wat je ook doet om het tegen te gaan, niet dwingen. Al die zendertjes in je hersenen reageren op gevoelens, op ogen, op oren en maken beelden, bouwen luchtkastelen vol ideeën en brengen je vaak juist daar waar je niet wenst te zijn. Naar een ervaring van een paar jaren geleden…

Ik heb vanavond bardienst. Zenuwachtig. Verdomme. Waarom zo nerveus? Waar staat alles? Wat zijn de prijzen? Hoe schrijf ik het op de juiste wijze op? Hoe doe ik het zo goed mogelijk? Geen fouten maken, die me op een sneer van Jaap komen te staan. Hij bedoelt het niet zo kwaad. Ik weet het wel. Toch voel ik me ongemakkelijk. Een net aangenomen werknemer onder het alziend oog van de meester. Maak je geen zorgen Willem. Waarom zou je? Niets aan de hand! Stom koffieapparaat. Gelukkig..., ik hoef alleen maar in te schenken. Er zit geen kraantje aan het apparaat. Wel een soort klepje, dat je naar beneden moet duwen. Kalmte! Rustig blijven… Klepje behoedzaam open…

Jaap speelt een paard naar c4. Mijn innerlijk alarm gaat af. Dat is toch niet zoals het hoort? Vast niet de beste zet! Moet toch naar d4 of f4 hier? Koortsachtig zoek ik eerst in mijn geheugen, maar ik vind niets en besluit de stelling eens aandachtig aan een gedegen onderzoek te onderwerpen.

Ik laat het kopje vollopen en doe op het juiste moment voorzichtig het klepje dicht. Kalm aan Willem… Voorzichtig. Niets kapotmaken… En dan…SHIT!!! Het stopt niet! Het blijft doorlopen! De rand nadert de koffie. De koffie walst lang het kopje op de bar en vormt een gestaag uitdijende dampende plas. Mijn blaas vertoont bijna soortgelijke verschijnselen en dan doe ik waar ik het beste in ben. Geen paniek. Handelen! Ik stop resoluut mijn linker wijsvinger in het tuitje waar de gloeiendhete koffie uitstroomt en schreeuw “Jaaap!”.

Ik sla het paard. Jaap neemt terug. Ik blijf kalm en na wederzijdse rokades besluit ik tot een loperoffer op h2. Ik strek mijn arm uit en doe een zet, om er vervolgens tot mijn stomme verbazing achter te komen, dat de hand mijn dame op c7 zet. Vol ongeloof wrijf ik in mijn ogen. Geen paniek. Handelen! Ik sta zeker niet slechter en heb het initiatief. Naar voren met die pionnen. Trompetgeschal in mijn oren. Naar h5, naar f5, naar h4, naar g5. Niet versagen. Kom op! Concentreren! Vasthouden! …

Jaap komt aangestormd. Hij slaat met een katachtig snelle beweging het klepje naar beneden en dan in vrijwel dezelfde vloeiende beweging weer omhoog. Ik trek snel mijn wijsvinger terug en pak vlug mijn oorlel vast, want dat haalt de hitte er sneller uit. De koffie is bijna honderd graden tenslotte. “Wat doe je nou?! Je verbrandt je fikken! Vlug onder de kraan! Snel!” Tot Jaaps stomme verbazing glimlach ik slechts. Hij kan immers niet weten, dat jaren en jaren van gitaarspelen de toppen van mijn linkerhand voorzien hebben van een forse laag volkomen ongevoelig eelt...

Ik ruil mijn paard en een pion voor een toren. Ik heb minstens remise. Bang als ik ben voor een zesde deceptie op rij hoor ik mezelf remise aanbieden. “Ja…. Ja…. Ach… Ik had de loper moeten zetten… Ik wist het, maar ik zette het paard. Stom van me. Begrijp het niet. Als ik dat gedaan had, was er niets aan de hand geweest.” antwoordt Jaap en schudt me – toch wat teleurgesteld of verbeeld ik het me? – de hand.

Mijn klein heelal dijdt in m’n gedachten uit. Een gaasvliegje landt op het hoofd van Einstein. Eéndagsvlieg? Mars ben ik. Jupiter! Deze komeet heeft weer een ronde langs de Ster overleefd. Ik berg met heel tevreden vuurvaste vingers de stukken op in de doos. Dan schuif ik één van de vele laden in mijn geheugen resoluut dicht en schiet in de lach als ik het etiket op de voorkant zie...

© Willem Platje december 2009

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *