Willem


"In iedere echte man is een kind verborgen, dat wil spelen" (Friedrich Nietzsche)

December 1957. Eindelijk: Kerstmis! Het lange wachten is voorbij. Mijn vader schudt de kolenkit leeg op het vuur dat hij met aanmaakhoutjes en kranten in de haard ontstoken heeft. Blauwe vlammetjes met gele kopjes beginnen begerig aan het anthraciet te likken achter mica ruitjes.

Gefascineerd kijk ik toe en voel de warmte op mijn huid. Plechtig doet hij het electrisch licht uit. Winterdonker neemt bezit van de woonkamer. Dan strijkt hij een lucifer aan en raakt er de kaarsjes in de kerstboom mee aan. Ze antwoorden met licht. Flonkerend weerkaatsen druipende kaarsjes hun licht in de zilveren bolletjes, die mijn moeder en ik devoot in een naar bos geurend sparretje hebben gehangen. Als je goed luistert, dan kun je de zinderende kaarsenvlammetjes horen fluisteren. Als je goed kijkt zie je miljoenen vonkjes hun vrolijk licht in het rond spetteren en als je dan je vingers in je oren duwt, je ogen stevig dicht knijpt en goed ruikt, dan waan je je in een dennenbos.

Ik kan me niet bedwingen. Ik moet het zilveren belletje aantikken. De kristallen klank klinkt in mijn verbeelding als een kerkklok. Het kerstvogeltje met het kleine rode snaveltje dat ik dit jaar heb mogen uitkiezen zet ik wat steviger op zijn tak. Mijn moeder pakt haar gitaar en begint te zingen: ”Stille nacht, heilige nacht” en ik zing mee. Ik ben al zes en ken natuurlijk de woorden: “Stillige nacht, heilige nacht …”. Mijn broertje is pas twee en slaapt als het kerstkind. Maar wat gaat het snel voorbij… Het had zoveel langer mogen duren. Bedtijd. Als ik mijn pyjama aan heb kus ik mijn vader welterusten. Hij heeft weer eens dat mysteriespel op het bord gezet en kijkt naar voor mij onbegrijpelijke letters en cijfers in de krant. Hij verzet een houten paardje.

December 1973. Kerstfeest! In mijn klas heb ik een mooi sparretje samen met mijn leerlingen opgetuigd. Opgetogen hebben ze van thuis elk een kleine kerstversiering meegenomen. Als beginnend onderwijzer ga ik mijn eerste kerstviering tegemoet. Niemand heeft me ooit verteld hoe je zoiets met die kleintjes van klas drie moet doen. Gelukkig zit er een klein zilveren vogeltje op een tak en er hangt ook een klein zilveren klokje. Ik verduister het lokaal en ontsteek voor elk van mijn leerlingen het kaarsje dat ze bij zich hebben. Ze slepen me er enthousiast doorheen. Samen hebben ze buiten mijn medeweten een prachtig programma samengesteld: “Het meisje met de zwavelstokjes” wordt afgewisseld met een vertelling uit de Bijbel over de gebeurtenissen in Betlehem. Drie kleine mannetjes, verkleed als de drie Wijzen uit het Oosten, volgen de ster en trekken op naar de stal. De rest van mijn leerlingen liggen als herdertjes en schaapjes bij nacht in het veld. Ze laten de Ster stralen! Het kerstverhaal dat ik improviseer – mijn hele leven lijkt wel één en al improvisatie – is slechts een deel van het feest, maar ik zie al die onschuldige snoetjes genieten van mijn vertelling. Als ik uit gefantaseerd ben zingen ze met glinsterende oogjes vol overgave “Stille nacht, heilige nacht” en “Gloria in Excelcis Deo”. Ik begeleid ze met de klanken van mijn gitaar en zie miljoenen sprankelende lichtjes de boom verlaten. Elk van mijn kinderen wordt verlicht. Zij zijn het licht, de hoop, kerstkinderen.

Na de warme chocolademelk en de kerstkransjes gaan ze in vrede hun welverdiende vakantie tegemoet. Stil blijf ik even zitten, omdat ik dit gelukkig moment nog even vast wil houden. Het had zoveel langer mogen duren. Zal ik? Ik aarzel. Eigenlijk wil ik het niet. Wat geweest is is immers voorbij? Toch tik ik nog even het zilveren belletje aan en mijn oren maken me een jongetje van zes. Dan onsluit ik het licht. Ik schud het verleden van me af en haal het vogeltje als eerste uit de boom. “Tot volgend jaar”, denk ik…

De boom moet naar het schoolplein. Ik plaats nog een verdwaald stoeltje op een tafel. Het demonstratiebord voor de schaaklessen zet ik op het aanrecht met het fonteintje. De schoonmakers kunnen hun gang gaan.

December 1978. Kerst. Het is voor het eerst dat er cadeautjes onder de kerstboom liggen. Sint-Nicolaas ruimde om de één of andere reden dit jaar het veld. Dit jaar dus geen surprises en gedichten, maar slechts het uitpakken van pakjes. Vorig jaar was ik er door een misverstand bij het lootjes trekken met slechts één sinterklaascadeautje nogal bekaaid vanaf gekomen. Geeft niet: “Het is beter te geven dan te ontvangen”. Mijn ouders, mijn broer en zijn vrouw, mijn vrouw en ik zitten voor een boom, die in bijna niets van echt te onderscheiden is. Ik bedenk me ineens, dat ik die geur van vroeger mis. Ook de elektrische lichtjes fonkelen niet miljoenvoudig. Ze geven eigenlijk alleen maar licht. Ik hoor het zachte ruisen van brandende kaarsen alleen nog in mijn herinnering. Het klokje hangt er echter nog steeds en het vogeltje zit parmantig op één van de bovenste takken.

Ik pak mijn eerste cadeautje uit. Aan de vorm te zien is het een pocketboekje. Ik dank de gulle kerstman voor het bezorgen van dit presentje en scheur het kleurige, met sparrenboompjes bedrukte papier er van af: “Schaakboek 5 -Topprestaties van 50 grote meesters” door H. Bouwmeester. De kerstman kent kennelijk mijn passie voor schaken. “Dank je wel Kerstman!” Ik kies het volgende presentje... Mijn vader krijgt een audiocassette met muziek van Jim Reeves en hij pakt een pakje voor mijn moeder…

Dan krijg ik na drie paar sokken zo te zien weer een boekje. Vol gespeelde verwachting pak ik het uit. Het met kerstboompjes bedrukte papier achteloos op de grote hoop gooiend lees ik voor: “Schaakboek 11 – 100 miniaturen” door H. Bouwmeester. “Dank je wel Kerstman!” Intens tevreden stel ik vast, dat niemand nog iets in de gaten heeft…De rondedans van uitdelen en uitpakken gaat voort…

Even later ben ik weer aan de beurt. Een groter cadeau. Minstens drie pockets hoog deze keer. Als een volleerd acteur dank ik Rudolf het Roodneuzig Rendier en scheur het met dennenboompjes bedrukte papier quasi benieuwd van mijn cadeautje. Mijn ogen laat ik oplichten als ik triomfantelijk achtereenvolgens “Schaakboek 10 – Openingen”, “Schaakboek 6 – Uit de toernooipraktijk” en “Schaakboek 7 – Eindspel”, alle drie van de hand van H. Bouwmeester, trots aan de familie toon.

Dan klatert de aanstekelijke lach van mijn schoonzusje door de kamer. “Hetzelfde pakpapier!” schatert ze. “Kerstboompjes!” De anderen kijken haar even onbegrijpend aan. Ik houd mijn gezicht als een volmaakt onwetende in de plooi, maar ik weet, dat ik betrapt ben. “Stom! Ik had verschillend papier moeten kopen.” Dan begint het bij de anderen ook te dagen en ze wenden hun blik naar de nog wachtende kerstcadeautjes. Ik hoef zelfs elk pakje gewikkeld in met kerstboompjes bedrukt papier niet meer uit te pakken. Nieuwsgierig ritsen ze zelf het papier los. Al gauw liggen de deeltjes één tot en met vier en ook acht en negen, alle geschreven door ene H. Bouwmeester op mijn schoot.

Succes! Ieder schiet in de lach, mijn vader en mijn broer geven me een ram op mijn schouders en op dit toneel buig ik voor het applaus, ontvang de bloemen en sluit de gordijnen. Mijn glansrol zit er op. “Schouderklopjes mag je jezelf ook wel eens uitdelen”, denk ik.

We gaan aan het avondmaal. Ik breek het brood en schenk de wijn. Onze vader voorziet ons van vis. De kat geeft het klokje een speelse tik. De vogel vlucht een takje hoger... Het had zoveel langer mogen duren… Volgend jaar weer Kerstmis.

Betlehem. בית לחם, Beit Lechem, betekent “Huis van het brood” in het Hebreeuws. بيت لحم, het Arabische Biet Lachem, betekent: ”Huis van het vlees”. In Betlehem zullen ongetwijfeld bakkers en slagers hun beroep uitgeoefend hebben. Brood, vlees, wat groente, iets te drinken en onderdak. Meer heeft een mens niet echt nodig. Herbergiers zullen ook niet onbemiddeld zijn geweest in die tijd. Toch restte er volgens het evangelie slechts een stal voor Zijn geboorte. Waarom komt me dit toch zo bekend voor?

© Willem Platje 2008. (Kerstbijdrage Rotterdamse Schaakbond)

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *