Stan


"Het is schoon met de vinger aangewezen te worden, terwijl men zegt:
daar gaat hij, de grote man!" (Persius)

Vanmorgen moest ik toch nog even krabben. Weliswaar ging het vrij gemakkelijk, want het had niet zo heel hard gevroren, maar toch moet je altijd oppassen om de rubbertjes van je ruitenwissers niet te beschadigen.

De voorruit van mijn ouwe Ford even schoongeschrapt, de mouw van mijn jas over de achterruit geveegd en het lege weekendkrat op de achterbank gezet. Tas met de lege wijnflessen op de stoel naast me. Het briefje met de boodschappen diep ik met gevoelloze en ijskoude vingers uit mijn broekzak op terwijl de blower langzaam de binnenkant van de voorruit schoonblaast. Liesbeth heeft weer eens alle benodigdheden in een volstrekt onlogische volgorde op papier gezet. In gedachten zet ik de kortste route voor het aanstaande supermarktbezoekje alvast uit en hoop dat de parkeerplaats het dichtst bij de achteringang onbezet zal zijn. Nee, ik heb geen hekel aan boodschappen doen, maar het is zeker niet mijn favoriete bezigheid en dus moet het zo snel en efficiënt mogelijk geschieden. Het verdampen duurt even. Veel condens aan de binnenkant van de ruit. Niet vegen! Geeft alleen maar strepen! Ik maak mezelf wijs, dat ik alle tijd heb en zet ongeduldig zuchtend de radio aan…

“No one likes us, I don’t know why, We may not be perfect, but heaven knows we try. But all around, even our old friends put us down. Let’s drop the big one and see what happens..”

Randy Newman… Een grimlachje vanwege de goedmoedige, morbide humor trekt mijn mondhoeken onweerstaanbaar omhoog en als ik met minimaal zicht wegrijd besluit ik er vandaag, ondanks de grauwe wereld om me heen het beste van te maken. De merel, die al sinds een week bezit heeft genomen van de inmiddels kale acacia voor ons huis en zijn bezit met vleugel en snavel verdedigt slaat kwinkelerend aan, terwijl hij naar onze dakgoot vliegt. Nog voor ik mijn auto gekeerd heb is hij alweer terug. De straat uit betekent langzaam en voorzichtig. Denk om de kinderen. Dan wat harder over de nu nog lege Gravensingel en dan rechtsaf de Elzenlaan in.

Mazzel! Een auto wordt volgeladen op mijn plekje en de achterklep gaat net dicht. De verliezen van het weekend zijn kennelijk zojuist fors aangevuld. Pa, Ma, een jongen en een meisje, gezamenlijk gewichtelijk gesproken alle vier vrij ruim boven een gezond gemiddelde duwen de schokdempers van de SUV naar een redelijke belasting.

“Koffie?” De boodschappen zijn op hun plaats van bestemming. Mijn taak voor vandaag zit er op en verdiept in een schaakprobleempje voor beginners in de krant antwoord ik weer eens niet. Ik kan me nu eenmaal enorm goed concentreren en me van aardse zaken afsluiten. Een tweede: “Koffie?” van Lies schudt me half wakker. “Ja, doe maar een bakkelorusje, lieve”, zeg ik afwezig. Eigenlijk houd ik helemaal niet van koffie, maar wel van Liesbeth. “Wat zeg je nou? Een bakkeborusje? Ik zie tot mijn genoegen op welke manier wit net nog kan winnen en begeef me naar de opgave voor gevorderden. “Halloooo ben ik nog in beeld!?” Ik raak een beetje geagiteerd. Ik heb toch al mijn dagtaak gedaan? Wat nou weer? Wellicht is het toch niet zo’n goede dag. “Een bakkelorusje!”, zeg ik met enige verheffing: “Dat zegt Stan altijd op de schaakclub voordat de partijen beginnen en hij en de meeste andere koffieverslaafden eerst een bakkie troost nemen uit dat stomme onhandelbare pre-historische apparaat in Vissers’, waar je altijd je klauwen aan brandt als je het klepje verkeerd dichtklapt en je je wijsvinger in het tuitje moet steken om een koffie-tsunami te stuiten, wat mij wel lukt, omdat ik eelt op mijn vingers heb vanwege het jarenlange gitaarspelen, maar bovendien een ritueel waar ik meestal liever niet aan mee wens te doen, tenzij ik een zoals zo vaak veel te vriendelijk aanbod niet kan weigeren, omdat ik nu eenmaal niemand wens te kwetsen, maar vooral, omdat ik niet van koffie houd en er vreselijk brandend maagzuur van krijg. Nou goed?” Inwendig trots op mijn volzin volhard ik vervolgens in zwijgen.

“Sorry hoor” zegt ze kalm. “Komt uit een goed hart jongen, gewoon of je een kopje koffie wenst…” Zoals zo vaak heeft ze alweer gelijk… Ik heb onmiddellijk alweer spijt van mijn uitval en maak het onhandig goed met een kus. “Wie is die Stan eigenlijk?” vraagt ze. “Stan is een begenadigd kunstenaar”, zeg ik meteen vol overgave en op het moment dat ik het zeg realiseer ik me, dat ik me nu helemaal blunderend aan de muzen heb overgeleverd, omdat zijzelf in de beeldende kunst haar sporen meer dan verdiend heeft. Ze kan fantastisch tekenen en waarlijk weergaloos met krijt overweg. Eerlijk gezegd heeft juist Liesbeth naar mijn mening voor de Willige Dame met haar creatie: “Dame in blauw” het ultieme logo voor onze schaaksocieteit gecreëerd. Zwakjes verweer ik me door te zeggen, dat ik Stan eigenlijk alleen door zijn schaakkunst ken, maar ik word liefdevol gedwongen het echte verhaal te doen. Ik had die kus achterwege moeten laten… Ik leg het schaakprobleem spijtig weg en begin met de Stanleyvertelling, mijn geheugen aftastend...

Stan Rietstap is zijn naam vertel ik haar. Het moment, waarop ik hem voor het eerst zag en sprak kan ik me helaas niet meer herinneren. Dat maakt eigenlijk ook niets uit, omdat Stan er voor mijn gevoel vanaf het eerste ogenblik gewoon was. Met het lange haar uitmondend in een prachtige staart was hij absoluut aanwezig. Being there! Het zal ooit in Visser geweest zijn denk ik. Die aparte kroeg, waar zoveel vogels van diverse pluimage elkaar ontmoeten. Daar, waar hij met schakers in contact is gekomen en met ons, Willige Dames, ging spelen. Wat ik zeker weet is, dat hij een onnavolgbaar enthousiasme voor het spel aan de dag legde. Het maakte hem niet uit of hij nou werd afgedroogd in partijen of niet. Stan was immer positief. “Je kunt alleen maar leren!”

En na elk “bakkelorusje” leerde hij, als een kind zo blij, steeds meer en meer. Verwonderd over wat iemand anders liet zien op het bord en immer verbaasd over de mogelijkheden van het spel zoog Stan het weten in zich op en groeide als de knop van een lotusbloem. Ik liet hem in die begintijd alle vier de hoeken van het schaakbord zien, maar het werd allengs lastiger om van Stan te winnen. Stan bleek nog een groot talent te bezitten. Het ontlook en groeide, groeide tot de knop barstte. De lotus ontvouwde zich. Stan velde uiteindelijk het onvermijdelijk vonnis: Ik verloor door een heel nare penning, die deel uitmaakte van een briljante Staniaanse combinatie. Stan is waarlijk een kunstenaar en ik wil natuurlijk ooit een revanche.

Het Willige Dametje met haar erotisch klokkende jurkje, haar netkousen, haar onmiskenbaar vrouwelijke vormen, het logootje van onze club, is weliswaar geen creatie van Stan, maar ik bezit (op één van mijn notatieformulieren) een door Stan in snelle pennenstreken neergezette uiterst zinnelijke koning, die zich achter de rug van ons Dametje, de koningskroon op het hoofd en met zeer wellustige blik in de ogen, de tong uit de mond...

“Je koffie wordt koud!” schrikt me op. De sonore bariton van Stan in mijn brein vervaagt. “Excuses liefje” zeg ik en drink zwijgend, maar vol vreugde mijn “bakkelorusje” leeg. Randy zingt onder het toeziend oog van mijn merel: “No one left to blame us! They’ll hate us anyhow. So let’s drop the big one now! ….”

Stan is helaas momenteel gestopt met schaken. Ik sprak hem recentelijk nog even om geen feitelijke fouten in de tekst te maken. Zijn beeldend werk is groots! Dat zowel Stan als ik de club een warm hart toe dragen leidt geen twijfel. De “Dame in Blauw” van Liesbeth blijft hier aan de wand hangen tot de nieuwsgierigheid van de lezers ons noopt om haar aan de openbaarheid prijs te geven...

© Willem Platje 2008

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *